Taalskiednis


Artikelen yn kranten en boeken oer taalskiednis


-De verhouding Fries en Hollands sinds de Franse Tijd:
van onderschikking naar nevenschikking yn Ph. H. Breuker en A. Janse (ed.), Negen eeuwen Friesland-Holland , 1997: 252-9.

- Korte taalgeschiedenis van het Fries yn Friesch Dagblad

 


 

De verhouding Fries en Hollands sinds de Franse Tijd:

van onderschikking naar nevenschikking

 

 


 

Reitze J. Jonkman, Fryske Akademy

 

Inleiding

De beeldvorming in Holland van Friesland betreffende de Friese taal is altijd sterk geladen geweest. In de na-oorlogse situatie is er in de media veel geschreven over de positie van het Fries ten opzichte van het Nederlands. Er zijn in deze beeldvorming verschillen met het verleden te zien, maar aan de andere kant lijkt er op een enkele punt over de Friese taalsituatie (buiten Friesland) weinig veranderd te zijn. De vitaliteit van het Fries wordt vaak laag ingeschat (Breuker 1983 en Van Langevelde 1993). De verhouding tussen de Friese taal en de niet-Friese taalvariëteiten lijken echter sinds de Franse Tijd niet ingrijpend veranderd te zijn; driekwart Fries ten opzichte van een kwart niet-Fries. Het niet-Friese aandeel bestaat naast Nederlands (in Friesland ook aangeduid met "Hollânsk") uit het Stellingwerfs, Bildts en het zogenoemde Stads (ook Stadfries). Dit Stads van verscheidene Friese steden neemt nog lang naast het Nederlands als een provinciale variant van het Nederlands een speciale plaats in. In verband met de relatie tussen Friesland en Holland wordt vooral in het begin van dit artikel onder andere nader ingegaan op de verhouding tussen aan de ene kant het Fries en aan de andere kant het Nederlands en deze in Friesland ingeburgerde maar van oorsprong Hollandse stadsvariëteit (Jonkman 1993: 61).

         Na eerst een inleidende voorgeschiedenis uit de periode vňňr de Nieuwste Tijd te hebben gegeven, ga ik in op de ontwikkeling van de taalsituatie sinds het eind van de achttiende eeuw. Dit mondt uit in de verhouding Fries en Hollands in Friesland in de jaren negentig van de huidige eeuw. De beschrijving zal zich beperken tot de grote lijnen. Waar mogelijk zal via een aantal citaten getracht worden de beeldvorming over de maatschappelijke ontwikkeling van het Fries weer te geven.

 

 

Voorgeschiedenis

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden blijkt een relatief harmonieuze ontwikkeling. De oorspronkelijke graafschappen gaan na de Opstand over in de federatie van de Zeven Provinciën in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Tot aan de Franse Tijd bezitten de gewesten een eigen bestuurlijke bevoegdheid. Met deze gewesten hangt een eigen identiteit samen (zie ook inleidende hoofdstuk van dit boek), die zich ook taalkundig uitte. De provincies hielden er ondanks de opbouw van een algemene "Nederduitsche" (schrijf)taal eigen beschaafde provinciale spreektalen op na. Er is een gewenste afstand tussen het Beschaafd van verschillende provincieplaatsen en dat van de grote steden in Holland (Hellinga 1940: 147). Door het eigen worden en de uitbreiding van een geďmporteerde (spreek)taal werd het oorspronkelijk in de stad gesproken dialect steeds meer naar het platteland teruggedrongen. Door deze ontwikkeling werd er in de zeventiende eeuw onderscheid gemaakt tussen stad- en landtaal (‘stadtaalvor­ming’). De stadtaal was een ingevoerde spreektaal die elementen van het oorspronkelijke dialect (substraat) in zich had opgenomen (Jonkman 1993a: 51-61).

         Bij de opbouw van de algemene (schrijf)taal voor alle Nederlanden is enigszins rekening gehouden met de regionale verschillen. In de commissie voor de Statenvertaling werden theologen uit verschillende gewesten geplaatst. Voor Friesland hadden Bogerman en Hommius hier zitting in genomen. Als een voorbeeld van trots op de eigen provinciale streektalen kan men vinden in het opkomen van de Friezen voor de aanspreekvorm 'dú' (De Vooijs 1952: 109). Hiermee kwam hij niet op voor de Friese vorm (want 'dű' of 'do'), maar voor de toenmalige stadse vorm van het 'dou' uit de hedendaagse stadsdialecten. Deze van oorsprong Hollandse vorm werd afgewezen, omdat deze vorm in de andere (beschaafde) stadtalen verouderd was.

         Het is ook begrijpelijk dat in deze context de stadtaal van Friesland ook met Fries werd aangeduid: Stadfries. Rond 1700 werd door Hilarides de stadtaal als een “byzondere” variëteit van de algemenere taalvariëteit van de hele Nederlanden aangeduid. Hij maakte wel een onderscheid in “gemeen Neerduits” en “Stadfries” (Hilarides, eind 17de eeuw: 49). Het element ‘Fries’ werd dus geografisch geduid: stadtaal in Friesland.). De steden in Friesland blijken sinds de tweede helft van de zestiende eeuw - toen de grotere steden begonnen te ontfriesen - sterk georiënteerd te zijn op Amsterdam. Alle steden onderhielden sindsdien geregelde beurtveren op de hoofdstad van de Republiek (Nijboer 1995: 51-53). Het lijkt niet te ver gezocht om te veronderstellen dat in de contacten tussen de vertegenwoordigers van de verschillende regio's een vorm van deze stadtalen in de 17de en 18de eeuw de omgangstaal was.

         Hoewel de taalkundi­ge variatie binnen de omgangstalen of stadtalen groot moet zijn geweest, zal deze va­riëteit vermoedelijk niet in subvariëteiten met een eigen naam zijn opgedeeld. De overeenkomsten tussen varianten uit Holland en de later in de Leeuwarder stadtaal aangetroffen varianten <eu>, <u> en <ú>, maken het waarschijnlijk dat deze varianten oorspronkelijk afkomstig zijn uit de Hollands gekleurde verkeerstaal. Diachroon-taalkundig kan het Stads zoals we dat nu kennen als een Hollands dialect aangemerkt worden. Het standaardiseringsproces van het Nederlands schreed in de tweede helft van de achttiende eeuw ook in Friesland voort. Het was er mede oorzaak van dat er voor het eerst een speci­fieke aanduiding voor het Leeuwarder dialect werd gebruikt: “(platte) Leeuwarder taal” ('conceptualisering'). Het ging om een conceptuele afscheiding van het Nederduits, dat een steeds sterkere taalkundige normering voor de spreektaal onderging (Jonkman 1993: 61-67).

         "Vriesland" bestond aan het begin van de te beschrijven periode uit zo'n 160.000 inwoners, waarvan Leeuwarden (15.000), Harlingen (8000) en Sneek (5000) de grootste stedelijke kernen waren. De drie grootste kernen zijn nagenoeg niet-Friessprekend, terwijl kleine stadjes als Franeker, Bolsward en Dokkum gedeeltelijk ontfriest waren (Telting 1830: 3, Hettema 1837: 271 en Halbertsma 1840: 44-45). Ook zullen de Stellingwerven (8000) en Het Bildt (5000) een klein aandeel Friessprekende inwoners herbergen (cijfers uit Encyclopedie van Friesland 1958). Bij benadering zou daarom het niet-Friese aandeel (globaal zo'n 35.000 inwoners) omstreeks 1800 op meer dan twintig procent geschat kunnen worden. Door het nagenoeg ontbreken van het Fries in de steden, zeker voor de sociaal hogere functies, kan voor buitenstaanders het idee ontstaan dat het Fries achteruitgaat (Vaderlandsche Letteroefeningen 1829 I 1829: 325 in Jonkman 1993: 68). Ook de bovenlaag op het platteland bediende zich van de Stadtaal (Feitsma 1978: 29). Hiermee is in het kort de lage sociale positie van het naar het platteland teruggedrongen Fries geschetst.

 

 

De Nieuwste Tijd

 

De 19de eeuw

Twee taalsociologische verschijnselen in de eerste helft van de negentiende eeuw verdienen ons aandacht. Als eerste noem ik het opkomen door de culturele elite voor de Friese variant van het Nederlands, dat in zekere zin als een verzet tegen het "Hollandse" Nederlands te beschouwen is. Everwinus Wassenbergh bedoelde in zijn Idioticon Frisicum van 1802 (een soort) Nederlands weer te geven met uit de Friese steden opgenomen elementen als 'butter', 'sundag' en 'toon' [=teen]. Er wordt hiermee gepleit voor het bestaan van variatie binnen het Nederlands. De gehele negentiende eeuw door en ook nog in de twintigste eeuw lijken trouwens stadse dialectismen in het taalgebruik van de hoogste standen te vinden te zijn. Een duidelijke sociolectisering van het stadsdialect had vňňr de twintigste eeuw nog niet plaatsgevonden.

         Het lijkt een voortzetting van de gewenste afstand tussen het Beschaafd van verschillende provincieplaatsen en dat van de grote steden in Holland: "(...) zo bestaat het Nederduitsch niet enkel in den heerschenden Hollandschen Tongval. Neen! Onmeetelijker is de uitsteekende Rijkdom onzer Moederspraake. (Wassenbergh, 1802:1).[i] Uit deze woorden is geen anti-houding tegenover het Nederlands als zodanig af te leiden, integendeel zelfs: het wordt hier zelfs met "onze Moederspraake" aangeduid.

         Het andere bedoelde verschijnsel - de opkomst van de belangstelling voor het Fries - blijkt niet als een tegenstelling met het opkomen voor het Friese Nederlands te worden aangevoeld. Het is namelijk dezelfde Wassenbergh die met de studie van Gysbert Japix, al aan het eind van de achttiende eeuw, een stoot geeft aan de opwaardering van het Fries, die in de zogenaamde "Beweging fan 1822" (Breuker 1981: 14-18), een snelle opkomst van literatuur in het Fries, tot een voorlopig hoogtepunt leidt. In 1821 werd het werk van Gysbert Japix door Epkema opnieuw uitgegeven. Het feit dat het werk werd opgedragen aan het symbool van de Nederlandse staatseenheid de provinciale gouverneur I. Aebinge van Humalda geeft aan dat het als een beweging vňňr het Fries en niet tčgen Holland en het Hollands beschouwd moet worden (zie ook Breuker 1990: 21-22).

         Dit blijkt ook uit het feit dat de voertaal in het in 1827 opgerichte Friesch (met een F, tegen de toenmalige Nederlandse schrijftraditie in) Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde (Breuker 1990: 21) het Nederlands bleef. Toch stelde het Genootschap zich het bevorderen van het Fries als eerste doel. In 1828 verscheen onder auspicien van dit Genootschap het geheel Friestalige 'Friesch Jierboeckjen'. Dit verscheen echter maar tot aan 1835. Het vond zijn opvolger in de geheel Nederlandstalige 'Vrije Fries'.

         De toen verschenen Friese literatuur kon ook in Holland waardering vinden:

 

Elke waardering immers van den voorvaderlijken grond, tongval, verdiensten en zeden gevalt ons, en heeft regt op aanmoediging; daar wij, als Nederlanders, het Nationale, waarvan toch het Vriesche, Hollandsche, Zeeuwsche en al het gewestelijke onderdeelen zijn, op hoogen prijs stellen, ja deszelfs voortduring inzonderheid noodig achten ter wering van uitheemschen invloed op het Volkkarakter. (Vaderlandsche Letteroefeningen 1827: 200)

 

Niet altijd werd dit echter zo positief gewaardeerd. Op Posthumus zijn Shakespeare vertaling van 1829 werd in Holland tegenovergesteld gereageerd:

 

Ja, hoezeer wij ook voorstanders van het oude en vaderlandsche zijn, in zoo verre verbastering en nieuwheidszucht daar tegenover staan (hetgeen dikwijls het geval is), zoo schijnt het ons twijfelachtig, of het behoud, met hand en tand, van eenen veroderden tongval, in een klein gedeelte van ons land enkel onder landlieden bestaande, juist heel veel nut, hetzij aan de algemeene beschaving of de eensgezindheid zal toebrengen. Vaderlandsche Letteroefeningen 1830: 12).

 

In 1844 nam het Selskip for Fryske tael en Skriftekennisse nam de leiding in bevordering van het Fries over van het Fries Genootschap. De activiteiten van het Selskip zijn vooral taal- en letterkundig gericht, zoals het uitgeven van een grammatica, het ontwikkelen van een Friese eenheidsspelling - die tot aan 1945 voor Friesschrijvers vrij algemeen werd - en het stimuleren van toneel in het Fries. Pas in het begin van de twintigste eeuw wordt de aktie meer gericht op de maatschappelijke emancipatie van de taal.

         Ondertussen was in de loop van de negentiende eeuw het dialect van de steden maatschappelijk steeds verder afgezakt tot de laagste bevolkingsgroepen en zo tot sociolect geworden (‘sociolec­tisering’, Jonkman 1993: 67-72 en 76-78). Door deze sociale neergang zou het stadsdialect in de twintigste eeuw geasso­cieerd worden met een uitgesproken laag prestige. Na het laatste pleidooi voor het voorkomen van diverse vormen van Nederlands door Winkler verdween het Stads van het toneel wat de pretentie als concurrent van het Nederlands betreft[ii]

 

De 20ste eeuw

Het Fries stond juist in deze tijd aan het begin van een sociaal opwaartse gang, een opwaartse gang die steeds verdedigd moest worden als zijnde niet anti-Nederlands. Over het streven naar het gebruik van het Fries in 1901 werd dit door opposanten opgemerkt. "We willen niet het Hollandsch verdringen uit de monden waarin het als officiële landstaal thuishoort", zei Jan Jelles Hof hierop. Fokke de Zee verwoorde het streven tot het aanwenden van de eigen taal in de gemeenteraden, zoals dat het van de twintigste-eeuwse Friese beweging in het algemeen zou worden: "Ik vraag in mijn schrijven [gericht aan de gemeentebesturen, RJJ] slechts de gelijkstelling van de Nederlandsche en de Friesche taal, zoodat, wordt het aangenomen, de raadsleden kunnen kiezen welke taal zij voor zich het geschikst achten om hunne gedachten helder, gemakkelijk en duidelijk uit te drukken." (Van der Schaaf 1977: 160) Het Handelsblad meende naar aanleiding van dit streven te moeten schrijven over " dat taaltje dat daar gesproken wordt". In diezelfde tijd, lang voor Kneppelfreed (1951, zie dit artikel verderop, blz. ***), schreef Johan Winkler over een rechter in Heerenveen die geen Fries wou of kon verstaan. Van der Schaaf 1977: 166) In 1907 richtte het bestuur van het Ald-Selskip zich tot de Provinciale Staten van Friesland met het verzoek geld beschikbaar te stellen voor het Fries in het lager onderwijs. Het statenlid Van der Burg dat lid was van het Selskip heeft - voor het eerst - bij die gelegenheid Fries gesproken. Zijn woorden zijn ook in de notulen vastgelegd (Van der Schaaf 1977: *** en De Jong en Riemersma 1995: 7). Achteraf blijkt dit de enige keer voor de Tweede Wereldoorlog te zijn geweest. Latere pogingen tot Friesspreken in 1916 en 1938 werd namelijk door de toenmalige commissaris der Koningin Van Harinxma thoe Slooten verboden.

         Het jaar 1916 waarin Sjouke de Zee trachtte Fries te spreken, volgt op het jaar waarin Douwe Kalma de 'Jongfryske Mienskip' stichtte. De leider Kalma wou breken met de kleine stappen vooruit in de bestaande verbanden. Friesland zou staatsrechterlijk een eigen plaats moeten hebben. De voorman van het in 1908 opgerichte Kristlik Frysk Selskip zou dit later (1930) duidelijker verwoorden in de brochure 'Selsbistjűr for Fryslân'. Het zijn ook deze grote spraakmakers van de beweging die ook het verst gaan in het opeisen van een volwaardige plaats voor het Fries in het maatschappelijke leven. Kalma nam daarbij het meest anti-Hollandse standpunt in:

 

Yn it mienskipslibben, yn de ynwindige Fryske polityk (gritenij- en provinsje-hűs), yn de Fryske forienings en bounen heart it Frysk eare to wirden mei de eare, dy de tael fen ús foarâlden takomt en moat it Hollânsk biskôge wirde as in stân-yn-'e-wei. It Frysk heart dos de iennichste amptlike tael yn Fryslân to wirden." (Kalma 1916: 6-7 yn Van Dijk 1982: 36)

 

Het Fries spreken van Haring Tjittes Piebenga kon in 1932 niet op goedkeuring rekenen van de rechter. Op het voorstel aan de minister van Justitie een Frieskundige rechter in Leeuwarden te plaatsen werd door hem afgewezen, omdat het "seperatisme, provincialisme en distictisme" zou bevorderen (Van der Schaaf 1977: 286).

 

Gematigder woordvoerders als Jan Jelles Hof keerden zich echter tegen het Fries als taal voor het officiële verkeer. Het Fries moest wel voor het culturele aangemoedigd worden. Ook al stond de beweging niet op een lijn, toch was een zekere emancipatie ontegenzegelijk. Werd het Fries vóór de Eerste Wereldoorlog voornamelijk als een boerendialect beschouwd, in het interbellum was in de institutionele sfeer - oprichting van de Fryske Akademy (1938), Algemiene Fryske Underwiis Kommisje (1937), gebruik in kerk (sinds 1916), school (1937) en gemeenteraden (190*) - voorzichtig iets merkbaar van de activiteiten van de Friese beweging.

         De in 1945 gestarte Ried fan de Fryske Beweging nam in zekere zin een gematigder standpunt in dan Kalma toen de Ried vlak na de Tweede Wereldoorlog met zijn rapporten over allerlei sectoren van het maatschappelijke leven naar buiten kwam. De Ried sprak zich uit voor tweetaligheid: het Fries en het Nederlands zijn gelijkwaardig en beide taalgroepen moeten gelijkberechtigd zijn. Ook spreekt de Ried zich expliciet uit voor het deel uitmaken van het Nederlandse Rijk en verwacht binnen dit staatsverband zijn taalrechten te kunnen vinden. Dit standpunt zou later overgenomen door de provinciale politiek.

         De hoofdredacteur Fedde Schurer droeg als een van de belangrijke woordvoerders van de Friese beweging na de oorlog het standpunt van de gewenste gelijkberechtiging ook in zijn kollommen uit. Toen een kantonrechter in Heerenveen weigerde een Friessprekende verdachte voor de rechtbank - officiëel - te verstaan, heeft  o.a. Schurer het schenden van dit principe sterk veroordeeld in zijn hoofdredactioneel commentaar. (Heerenveense Koerier 19-10-51, ook in Tamminga en Wadman 1951: 5-6). De rechterlijke macht was danig in de wiek geschoten daagde hem voor de rechtbank in Leeuwarden. Door onhandig optreden van het rechtbankpersoneel en de Leeuwarder politie liep een demonstratie van Schurersympathisanten uit op botsing tussen beide groepen. Vanwege het gebruik van knuppels (kneppels) op deze vrijdag (freed) bij het uiteenjagen van de demonstranten werd deze gewelddadige confrontatie 'Kneppelfreed' gedoopt. Dit heeft wat teweeggebracht eerst in de publike opinie, daarna op het landelijke politieke vlak. Douwe Tamminga en Anne Wadman (1951) hebben de reacties van niet-Friezen op de Kneppelfreed-kwestie in kranten en tijdschriften verzameld. In het algemeen kan geconstateerd worden dat de Hollandse pers niet onwelwillend staat tegenover wat uit Friesland gevraagd wordt. Trouw weet de wederzijdse beeldvorming kort te schetsen:

 

Er dreigt hier een merkwaardige kortsluiting te ontstaan, die enerzijds voortvloeit uit een totaal gemis aan begrip voor somminge Friese wensen bij de mensen buiten Friesland en die aan de andere kant het gevolg is van de sterk bewogen wijze waarop de Friezen hun zaak aan de orde stellen, (...). (...) Er zijn Friezen, die die kwestie zeer diep en zeer vertakt zien liggen. Het gaat dan om het "Hollands imperialisme", dat de Friezen en Friesland en de Friese taal achteruitzet. (Trouw 22-11-51)

 

De Haagsche Post (1-12-51) verwijt daarentegen de Friese beweging het het odium op zich te laden "niet geheel vrij te zijn van separatistische tendenzen". Tamminga en Wadman laten in het woord vooraf weten dat de Friese strijd het niet om een strijd tegen de "Hollanders" gaat, maar "een strijd tegen het systeem van staatscentralisatie en tegen de mentaliteit die daar uit voortvloeit".

         Het gebeuren rond Kneppelfreed heeft aanleiding gegeven tot het instellen tot de Commissie betreffende het gebruik van de Friese taal op het gebied van het rechtsverkeer'. De voorstellen resulteerden in 1956 in een wet die het mondeling gebruik van het Fries toestond, mits derden het ook kunnen verstaan. Hetzelfde rapport heeft aanleiding gegeven tot het zogenaamde Kabinetsstandpunt van 1953 waarin het schriftelijke gebruik van het Fries niet wordt toegestaan. Tevens is toen ook besloten dat topografische namen slechts één officiële vorm kennen. In principe was dat de erkenning van de gelijkwaardigheid van de Friese vormen, maar in de praktijk bleven de Friese vormen de officieuze. Ondertussen was er voor het mondelinge verkeer een tweetalige praktijk gegroeid in de vergaderingen van Provinciale Staten en gemeenteraden. Een ander belangrijke uitkomst is dat zogenaamde tweetalige scholen mogelijk werden gemnaakt door het toestaan van het Fries als voertaal in de drie laagste klassen van het lager onderwijs. Het pleidooi van Schurer voor verplichting van het Fries voor lagere en middelbare school werd in 1953 door de Nederlandse Onderwijzers Vereniging als "voorbarigheid van sommige voormannen van de Friese beweging" afgewezen.

         Na deze korte maar hevige taalpolitieke opleving van de jaren vijftig verdwijnt de Friese kwestie weer voor jaren van de politieke agenda. Het duurt tot aan 1969 dat opnieuw een confrontatie tussen Friesland en Holland. Naar aanleiding van een lijst van desiderata wordt de Commisssie Friese-Taalpolitiek onder voorzitterschap van Van Ommen ingesteld. De belangrijkste uitkomst in 1970 is de erkenning van Friesland als tweetalige provincie. Hieruit volgde dat wat het Fries betrof over tweede Rijkstaal gesproken kon worden. Het houdt in dat het Rijk een verantwoordelijkheid heeft voor het Fries en meebetaalt aan het instandhouden van een infrastructuur voor de tweede rijkstaal (woordenboek, Tryater). De Tweede Kamer verbindt hier later de consequentie dat het Fries een verplicht vak moet zijn voor alle lagere scholen in Friesland en bovendien het Fries als voertaal vrijgeeft voor alle klassen. Onbevredigend was voor Friesland dat er voor het schriftelijk gebruik in het officiële verkeer niets veranderde.

         De meest recente touwtrekkerij tussen beide kampen kwam uit deze onbevredigende afloop voort. In 1975 stelden Gedeputeerde Staten de 'Wurkgroep Frysk yn it Offisiële Forkear' in. Het drie jaar later uitgebrachte interim-rapport werd door de Provinciale Staten met algemene stemmen aangenomen. Het word de basis voor het vanaf dan stelselmatiger te voeren taalbeleid. Voorop staat de gelijkwaardigheid van het Fries en het Nederlands en de gelijkberechtiging van beide taalgroepen, niet alleen voor het mondelinge maar ook voor het schriftelijke verkeer. Er moet een beleid voeren dat leidt tot het actief en geregeld gebruik van het Fries. Een van de belangrijkste punten tot het voeren van zo'n beleid is het totstandbrenging van taalwetgeving die dit mogelijk maakt. Er zou alleen bij uitzondering gekozen voor een uitwerking volgens het zogenaamde dubbeltaligheidsbeginsel: beide talen worden tegelijk gebruikt voor dezelde stukken. Dit principe wordt afgewezen omdat het Fries dan niet als zelfstandige taal wordt gebruikt - er slechts op toe is - en de extra tijd en geld die zo'n uitwerking kost, het in de praktijk moeilijk uitvoerbaar maakt. De voorkeur is gegeven aan het tweetaligheidsbeginsel waarin wordt gekozen voor hetzij het Fries, hetzij het Nederlands. Is er gekozen voor het Fries, dan kunnen op verzoek vertalingen gegeven worden. Deze zijn gratis voor hen die minder dan twee jaar in Friesland woonachtig zijn. De positieve beoordeling van de Staten maakte het mogelijk verder te werken aan het Eindrapport. In 1981 werd een Rijkscommissie Fries in het bestuurlijk verkeer ingesteld met Haagse en Friese leden. De rapportage heeft drie en een half jaar op zich laten wachten, omdat beide fracties het op cruciale punten niet met elkaar eens konden worden. Zo werd het afsluitende stuk ongewild een inventarisatie van de tegenstellingen tussen Friesland en Holland. Friesland hield vast aan het tweetaligheidsbeginsel, terwijl Holland zijn voorkeur uitsprak voor het dubbeltaligheidsbeginsel. Door de Friezen werd dat uitgelegd als een poging niet-Friestaligen te vrijwaren van het Fries, en daarmee onacceptabel voor de Friese fractie, omdat dit de gelijkwaardigheid en de gelijkberechtiging ondergroef. Een van de Friese leden, Mr. T.J. Kingma, heeft in een krante-artikel (Leeuwarder Courant 22.2.85) gewezen op onbegrip van de Hollandse zijde: "(...) de problematiek van het gebruik van de Friese taal naast het Nederlands en de hele Friese taalsituatie, zoals die in Friesland bestaat en zoals die zich ontwikkelt, (stond) enorm ver af (...) van de denkwereld van de Haagse leden." Het was maar slechts ten dele gelukt om dit onbegrip weg te nemen.

         De behandeling van dit rapport vond in dezelfde vergadering plaats als het Eindrapport van de provinciale Wurkgroep Frysk yn it offisjele ferkear dat 'Fan Geunst nei Rjocht' was gedoopt. De wurkgroep had in het Eindrapport het gekozen tweetaligheidsbeginsel verder uitgewerkt en geconcretiseerd. Een van deze punten was de naamgeving van gemeenten, plaatsen en straten. Het was nu voor gemeenten wettelijk mogelijk dat zij de namen (ééntalig) in het Fries vaststellen. Er werd voorgesteld dat de provincie zelf het voorbeeld zou geven met het officieel vaststellen van de naam 'Fryslân'. De Staten namen het Eindrapport aan en stelden zich daarmee unaniem achter de Friese fractie op. Inmiddels had een "Hollandse" rechter van de Raad van State in Den Haag de door de Friese Staten aanvaarde en toegepaste tweetaligheid een juridisch gat geschoten. Hij stelde een burger die al jaar en dag in Friesland woonde in het gelijk toen deze een gratis vertaling van provinciale stukken eiste. De rechter bepaalde dat zolang formeel niet anders geregeld was, aangenomen moet worden dat het Nederlands de gebruikelijke bestuurstaal in Friesland is. Aanvullend werd in de onderhavige Statenvergadering daarom in de vorm van een provinciale verordening in een formele regeling voorzien dat in Friesland het Fries ook een gebruikelijke bestuurstaal is. Door de staten werd dit als een duidelijk signaal voor het onbegrip van de Friese taalsituatie gezien. Het voornemen om de provincienaam in het Fries te wijzigen wanneer dat wettelijk mogelijk zou worden, werd door een grote meerderheid onderstreept. Het was duidelijk dat Friesland het gebruik van het Fries in het officiële verkeer als een recht zag dat in een taalwet diende worden neergelegd en Holland nog steeds als een gunst. Vervolgoverleg was hoogst noodzakelijk.

         Dat kwam er ook en leidde tot een Bestuursafspraak Friese Taal en Cultuur, waarin ook afspraken over het Fries in het bestuurlijk verkeer geregeld zijn (1989). De Staten van Friesland doen water bij de wijn door vooreerst akkoord te gaan met slechts een bestuurlijke regeling (en geen wettelijke) en een afgezwakte vertalingsregeling. Een ieder die een gemotiveerd verzoek om een vertaling van een Friestalig stuk indient, verkrijgt deze zonder betaling. Wel is aan dit convenant de voorwaarde toegevoegd dat de doelstellingen ervan gehaald moeten worden, anders zal nieuw overleg volgen. Voor het Fries in het rechtsverkeer werd een nieuwe Rijkscommissie ingesteld. Al in 1990 maakte de Raad van State duidelijk dat deze Bestuursafspraak geen juridische kracht had. Allen een taalwet kon een oplossing bieden.

         Staatssecretaris De Graaff-Nauta liet toen een voorstel tot een Friese taalwet opstellen, waarin echter nog steeds de ruime vertaalregeling was opgenomen. Bijna integraal werd dit voorstel opgenomen in het concept voor de Algemene Wet Bestuursrecht waarin - vanwege de Europese eenwording - ook het Nederlands als bestuurstaal een juridische basis kreeg. Een intensieve lobby vanuit het Provinsjehűs en de Ried fan de Fryske Beweging heeft er voor gezorgd dat het recht op gratis vertalingen werd beperkt tot de groep direkt-belanghebbenden ongeacht hun woontijd in Friesland. Ook werd vastgelegd dat het Fries spreken in vertegenwoordigende organen als de gemeenteraad vrij was en dat wat in het Fries was gezegd ook in het Fries genotuleerd moet worden. In 1995 werd de gewijzigde AWB door het Nederlandse parlement aangenomen, in hetzelfde jaar dat een nieuwe wet voor het rechstverkeer en het Handvest voor regionale of minderheidstalen. Eveneens in dit jaar werd de in 1985 uitgesproken wens tot naamswijziging in 'Fryslân' door de nieuwe provinciewet die in 1994 van kracht werd mogelijk.

 

Afsluiting

 

Uit het relaas van twee eeuwen bevordering Fries die voornamelijk over zijn positie in het officiële verkeer ging, blijkt in de wetgeving van 1995 formeel een zekere gelijkwaardigheid van talen en een gelijkberechtiging van taalgroepen te zijn voortgekomen. Er lijkt in ieder geval genoeg ruimte voor de provincie Fryslân om zijn eerste taal binnen de wettelijke kaders van de Nederlandse staat zijn gewenste plaats te geven. Een groot aantal Friese gemeenten profiteert bij het opstellen van taalbeleidsplannen hiervan mee. Naast het vaststellen van gemeente- en plaatsnamen in het Fries (o.a. Tytsjerksteradiel, Boarnsterhim en Littenseradiel), wordt getracht het Fries zoveel mogelijk zijn deel te geven in het schriftelijke verkeer. Ook op andere terreinen als het onderwijs is in de jaren negentig belangrijke wetgeving tot stand te zijn gekomen verplichting van het Fries voor de basisvorming (1992?) en het mogelijk maken van provinciale TV, sinds februari 1994 verzorgt Omrop Fryslân op alle werkdagen tv-uitzendingen in Friesland, al in de jaren tachtig waren wekelijkse Friese uitzendingen op de landelijke televisie begonnen.

         In de inleiding is gezegd dat de beeldvorming over de Friese taalsituatie in twee eeuwen weinig veranderd lijkt wat de vitaliteit van het Fries betreft. Uit onderzoek uit 1994 is duidelijk geworden dat het percentage inwoners van de provincie (ongeveer 600.000) dat Fries beheerst 74 (Gorter en Jonkman 1995: 8) bedraagt en daarmee op zo'n 450.000 sprekers komt. Nooit eerder in de geschiedenis werd dit aantal bereikt. De 55 procent die het Fries als moedertaal spreekt bleef bovendien sinds 1980 stabiel (Gorter en Jonkman 1995: 11) Wel is er een aanmerkelijke verandering gekomen in de visie van politiek Holland ten opzichte van de taalpolitieke strevingen van Friesland. Werd voor de Tweede Wereldoorlog het streven naar een gelijkwaardige plaats als separatistisch gezien en volgde daarna een lange periode van onbegrip over de Friese wensen, sinds de erkenning van Friesland als tweetalige provincie is het mogelijk gebleken het onbegrip gedeeltelijk tot een tolerante houding om te buigen. Misschien heeft deze huidige standpunt te maken met herkenning. Het Nederlands wordt een minderheidstaal in Europa (NRC/Handelsblad **.**.**). Na de gezamelijke opname in de Algemene Wet Bestuursrecht zal, als een plaatsje voor het Nederlands noodzakelijk in de grondwet nodig wordt geacht, vergezeld worden van het Fries.

 

 

 

Literatuur

 

Boere Schrieuwer oer it nys fin de dey, De (1821)

Snits.

Breuker, Ph.H. (1980)

It Friesch Genootschap, it Friesch Jierboeckjen en it Oera Linda Boek, in: De vrije Fries 60, pp. 49-65.

Breuker, Ph. H. (1981)

Salverda en de Beweging fan 1822, in: Hjir 10, pp.14-18.

Breuker, Ph.H. (1990)

Kultuer en literatuer yn Fryslân yn it begjin fan de njoggentjinde ieu, in: It Beaken, 52, pp. 18-33.

Breuker, P. (1983)

“Undergongsfoarsizzingen oer it Frysk troch de ieuwen hinne.”  Us Wurk 32, 2, s. 1-42.

Dijk, K.J. van (1982)

De űntjouwing fan it Frysk yn it offisjele ferkear, Ljouwert.

Eekhoff, W. (1825 en letter)

Bijdragen tot de kennis, vergelijking en waardering van het stad-Friesche en inzonderheid Leeuwarder dialekt, oantekeningen, Gemeente-argyf Ljouwert (m.s).

Encyclopedie van Friesland (1958)

Gearstald troch J.H. Brouwer, J.J. Kalma, W. Kok en M. Wiegersma, Amsterdam/Brussel.

Feitsma, A. (1978)

Tussen volkstaal en schrijftaal. Leeuwarden

Gorter, D. en R.J. Jonkman (1995)

Taal yn Fryslân op 'e nij besjoen. Ljouwert.

Hellinga, W. Gs (1940)

“Het Stadsfries en de problemen van taalverhoudingen en taalinvloed.” Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde 59, s. 19-52 en 125-158 en yn Hellinga (1968), s. 459-492 en 493-526.

Hettema, M. (1837)

“Beknopte opgave der handschriften en gedrukte werken in de oudere en latere Friesche taal.” Yn: Taalkundig Magazijn of Gemengde Bijdragen tot de kennis der Nederduitsche taal, dl II, Rotterdam, s. 223-274.

Hilarides, J. (1695)

Phaedri Fabulae Aesopiae, Dokkum.

Hilarides, J. (ein 17de ieu)

“Naamspooringen van het platte Friesk.” ed. A. Feitsma-en-dy, Estrikken XXXVII en XXXVIII, Johannes Hilarides en syn Naamspooringen van het platte Friesk, resp. dl I, Grins 1965 en, dl II, Grins 1966.

Hilarides, J. (1705)

Niewe taalgronden der Neederdujtsche Taal, Franeker [ek yn ed. A. Feit­s­ma-en-dy, Estrikken XXXVIII, Johannes Hilarides en syn Naamspooringen van het platte Friesk, dl II, Grins 1966].

Jeltema, A. (1768)

“Het vermaak der slagterij.” ed. A. Feitsma en R. Bosma, Estrikken XXII, Frysk út de 18de ieu III, Grins 1961, s. 70-80.

Jong, F. de, en A. Riemersma (1995)

De Fryske beweging en de wettelike erkenning fan it Frysk, in: Mear oer Fryske taal en kultuer 15, pp. 7-9.

Jonkman, R. (1991)

“De gevolgen van tweetaligheid voor het maatschappelijk gebruik van het Fries.” Yn: “Sizzen en Dwaan” (1991), s. 4.

Jonkman, R.J. (1992)

“De historische ontwikkeling van de Leeuwarder stadtaal in het licht van de geschiedenis van het Nederlands.” Taal en Tongval, themanűmer ‘Stadstalen’, pp. 81-95.

Jonkman, R.J. (1993a)

It Leewarders: in taalsosjologysk űndersyk nei it Stedsk yn ferhâlding ta it Nederlânsk en it Frysk yn Ljouwert. Ljouwert: Proefskrift Universiteit fan Amsterdam.

Jonkman, R.J. (1993b)

“Wat seit in namme? of oer it bestean fan it ‘Leewarders’ en it ‘Frysk’.” Tydskrift foar Fryske Taalkunde 8 (tsjillingnűmer foar Tony Feitsma),

s. 63-71.

Jonkman, R.J. (1995)

Frysk as omgongstaal gewoaner wurden, in: Mear oer Fryske taal en kultuer 15, pp. 14-15.

Kalma, D. (1916)

Fryslân for de Friezen, ****

Tamminga, D.A. en A. Wadman (Red.) (1951)

De Friese Kwestie. Wat niet-Friezen er van zeggen in kranten en tijdschriften. Drachten

Langevelde, A. van (1993)

Migration and Language in Friesland, in: Journal of Multilingual and Multicultural Development, 14, pp. 393-409.

Nijboer, H. (te verschijnen)

Leeuwarden tussen middeleeuwen en moderne tijd, in: Leeuwarder Historische Reeks V, pp. ***

Roorda, T. (1858)

Verhandeling over het onderscheid en de behoorlijke overeenstemming tusschen spreektaal en schrijftaal inzonderheid in onze moedertaal,

Leeu­warden.

Schaaf, Sj. van der (1977)

De skiednis fan de Fryske beweging, Ljouwert.

“Sizzen en Dwaan” (1991)

Taalbijlage van de Leeuwarder Courant, 25 april.

Telting, A (vertaler) (1830)

Brieven van John Bowring ..., Leeuwarden.

Vaderlandsche Letteroefeningen I (1829)

besprek Friesch Almenak 1829, s. 325.

Vooys, C.G.N. de (19525)

Geschiedenis van de Nederlandse taal, Groningen.

Wassenbergh, E. (1802)

“Idioticon Frisicum.” Yn: Taalkundige bijdragen tot den Frieschen tongval,

I stuk, Leeuwarden/Franeker, s. 1-134.

 

 

 

Illustraties: overzichtskaart met daarin taalvariëteiten

recente cijfers van taalvaardigheden in Fryslân



[i].Wassenbergh is niet de enige die het Friese Nederlands of Stads als een eigen vorm van Nederlands beschouwen: Ypey (****), Suringar (****), Eekhoff (****) en Winkler (****).

[ii]. Het feit dat in de twintigtse eeuw Van Harinxma anecdotisch wordt opgevoerd als voorvechter van het Stads is een misverstand. Hij sprak vaak een sterk Stads gekleurd Nederlands, maar dat was niet een bewuste poging tot het promoveren van deze taalvariëteit (Jonkman 1993).


Korte taalgeschiedenis van het Fries

 

Van Germaans dialect tot officiële taal

 

 

Reitze J. Jonkman

 

Het Fries bestaat als een op zichzelf staand Germaanse dialect nog niet een millennium. Voorzover nu bekend is, wordt de taal van de Friezen pas na het jaar 1000 ‘Fries’ genoemd, ongeveer in dezelfde tijd dat het Fries ook op schrift verscheen. Het Fries had zich niet alleen taalkundig ver genoeg van de andere Germaanse dialecten af ontwikkeld, het werd in de tijd van de tegenstellingen met het graafschap Holland ook mede een bepaler van de Friese identiteit.

 

Dialect


Als er sinds die tijd van Fries werd gesproken, ging het voornamelijk om een verzameling Friese dialecten die geen standaardtaal kenden, niet voor de spreektaal, maar ook niet voor de schrijftaal van de Friese wetsteksten. Dit dialectisch Fries werd door bijna iedereen gesproken, behalve door de bewoners van kloosters die van buiten kwamen. Het is pas na de langzame opkomst van de steden in de late Middeleeuwen dat het Fries echt plaats moest inschikken voor een andere taal. Handelslui van Hollandse en Saksische afkomst namen hun eigen dialecten mee naar Fryslân. Vooral de uitbreiding van het ingevoerde Hollandse dialect vormt het begin van de ontfriesing van verscheidende Friese steden. Door invloed van de taal van de oorspronkelijke Friezen ontstaat er in de zestiende eeuw, na het verloren gaan van de Friese zelfstandigheid (1498), een Fries gekleurd Hollands in deze steden. Een stadstaal die sterk verschilt van de taal van het omringende platteland. In dezelfde eeuw verdwijnt het Fries als schrijftaal.

 

Verdrongen

De oorspronkelijke graafschappen vormden na de Opstand tegen Spanje de Republiek der Verenigde Nederlanden. Tot aan de Franse tijd bezaten deze gewesten een eigen bestuurlijke bevoegdheid. Met de provincies hing een eigen identiteit samen, die ook in taal naar buiten kwam. Ze hielden er ondanks de opbouw van een algemene “Nederduitsche” (schrijf)taal eigen beschaafde provinciale spreektalen op na, die op de stadstalen waren gebaseerd. Rond 1700 werd de stadstaal van Friesland dan ook wel met Fries aangeduid: Stadsfries. Het eigenlijke Fries werd Land- of Boerenfries genoemd. Het Fries was als spreektaal uit de stad en uit de belangrijkste domeinen als bestuur, kerk en rechtbank verdrongen.

 

Nieuwe schrijftaal

Tijdens deze maatschappelijke neergang ontwikkelde de dichter Gysbert Japiks uit Bolsward in de zeventiende eeuw in z’n eentje weer een nieuwe Friese schrijftaal. Zijn ‘Frijschske Rijmelerije’ uit 1668 zou een inspirerende taalmonument worden dat pas eeuwen later, in de negentiende eeuw tot een echte opleving van de Friese schrijftaal zou leiden. Het in 1827 opgerichte Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde stelde zich het bevorderen van het Fries als eerste doel. In 1844 nam het Selskip for Fryske tael en Skriftekennisse de leiding in bevordering van het Fries over van het Fries Genootschap. De activiteiten van het Selskip zijn vooral taal- en letterkundig gericht, zoals het uitgeven van een grammatica, het ontwikkelen van een Friese eenheidsspelling en het stimuleren van toneel in het Fries. Pas in het begin van de twintigste eeuw wordt de actie meer gericht op de maatschappelijke emancipatie van de taal.

 

Voorwerk

Aan het begin van de twintigste eeuw is er belangrijk ideologisch voorwerk gedaan ten behoeve van de officiële invoering van het Fries in de hogere maatschappelijke kringen in de tweede helft van deze eeuw. Douwe Kalma heeft als oprichter van de ‘Jongfryske Mienskip’ (1915) de verstgaande positie ingenomen. Hij wou voor Friesland staatsrechterlijk een eigen plaats met het Fries als enige taal. Daarnaast waren ook anderen die een volwaardige plaats voor het Fries in het maatschappelijke leven vroegen. Werd het Fries vóór de Eerste Wereldoorlog voornamelijk als een boerendialect beschouwd, in het interbellum was er  in de institutionele sfeer - zoals in de vorm van de oprichting van de Fryske Akademy, Algemiene Fryske Underwiis Kommisje, gebruik in kerk, school en gemeenteraden - voorzichtig iets te merken van een maatschappelijke ontplooiing.

 

Politieke overname

De in 1945 gestarte Ried fan de Fryske Beweging nam in zekere zin een gematigder standpunt in dan Kalma toen de Ried vlak na de Tweede Wereldoorlog met zijn rapporten naar buiten kwam. De Ried sprak zich uit voor tweetaligheid: het Fries en het Nederlands zijn gelijkwaardig en beide taalgroepen moeten gelijkberechtigd zijn. De Ried verwacht binnen het Nederlands staatsverband zijn taalrechten te kunnen vinden. Dit standpunt zou later worden overgenomen door de provinciale politiek.

 

Kneppelfreed

De journalist en dichter Fedde Schurer droeg als een van de belangrijke woordvoerders van de Friese beweging na de oorlog het standpunt van de gewenste gelijkberechtiging ook in zijn krantenkolommen uit. Toen een kantonrechter in Heerenveen weigerde een Friessprekende verdachte voor de rechtbank - officieel - te verstaan, heeft hij het schenden van dit principe sterk veroordeeld in zijn hoofdredactioneel commentaar. De rechterlijke macht was danig in de wiek geschoten daagde hem voor de rechtbank in Leeuwarden. Door onhandig optreden van het rechtbankpersoneel en de Leeuwarder politie liep een demonstratie van Schurer-sympathisanten uit op botsing tussen beide groepen. Vanwege het gebruik van knuppels (kneppels) op deze vrijdag (freed) bij het uiteenjagen van de demonstranten werd deze gewelddadige confrontatie 'Kneppelfreed' gedoopt.

 

Wetgeving

Het gebeuren rond Kneppelfreed heeft aanleiding gegeven tot het instellen tot de ‘Commissie betreffende het gebruik van de Friese taal op het gebied van het rechtsverkeer’. De voorstellen resulteerden in 1956 in een wet die het mondeling gebruik van het Fries toestond, mits derden het ook kunnen verstaan. Hetzelfde rapport heeft aanleiding gegeven tot het zogenaamde Kabinetsstandpunt van 1953 waarin het schriftelijke gebruik van het Fries niet wordt toegestaan. Ondertussen was er voor het mondelinge verkeer een tweetalige praktijk gegroeid in de vergaderingen van Provinciale Staten en gemeenteraden. Een ander belangrijke uitkomst is dat zogenaamde tweetalige scholen mogelijk werden gemaakt door het toestaan van het Fries als voertaal in de drie laagste klassen van het lager onderwijs.

 

Tweede Rijkstaal

Na deze korte maar hevige taalpolitieke opleving van de jaren vijftig verdwijnt de Friese kwestie weer voor jaren van de politieke agenda. Naar aanleiding van een lijst van desiderata van de Ried fan de Fryske Beweging wordt er in 1969 de Commisssie Friese-Taalpolitiek ingesteld. De belangrijkste uitkomst in 1970 is de erkenning van Friesland als tweetalige provincie. Hieruit volgde dat wat het Fries betrof over tweede Rijkstaal gesproken kon worden. Het houdt in dat het Rijk een verantwoordelijkheid heeft voor het Fries en meebetaalt aan het instandhouden van een infrastructuur voor de tweede rijkstaal (woordenboek, Tryater). De Tweede Kamer verbindt hier later de consequentie dat het Fries een verplicht vak moet zijn voor alle lagere scholen in Friesland (1980) en bovendien het Fries als voertaal vrijgeeft voor alle klassen. Onbevredigend was voor Friesland dat er voor het schriftelijk gebruik in het officiële verkeer niets veranderde.

 

Rjocht

In 1975 stelden Gedeputeerde Staten over dit punt een werkgroep in. Het drie jaar later uitgebrachte interim-rapport werd door de Provinciale Staten met algemene stemmen aangenomen. Het werd de basis voor het vanaf dan stelselmatiger te voeren taalbeleid. Voorop staat de gelijkwaardigheid van het Fries en het Nederlands en de gelijkberechtiging van beide taalgroepen, niet alleen voor het mondelinge maar ook voor het schriftelijke verkeer. Er moet een beleid voeren dat leidt tot het actief en geregeld gebruik van het Fries. De positieve beoordeling van de Staten maakte het mogelijk verder te werken aan het eindrapport.

Het aannemen van dit rapport, 'Fan Geunst nei Rjocht'  gedoopt, in 1985 hield in essentie in dat het Fries net als het Nederlands als zelfstandige taal kon functioneren in het gemeentelijke en provinciale bestuurlijke verkeer (tweetaligheidsbeginsel), met beperkte mogelijkheden voor vertalingen. Het Rijk had echter al voor de behandeling van het eindrapport in commissieoverleg laten weten dat het Fries altijd vergezeld moest gaan van een Nederlandse vertaling (dubbeltaligheidbeginsel).

 

Officiële taal

Vervolgoverleg tussen Den Haag en Fryslân leidde er jaren later toe dat staatssecretaris De Graaff-Nauta  een voorstel tot een Friese taalwet opstelde dat werd opgenomen in het concept voor de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) waarin - vanwege de Europese eenwording - ook het Nederlands als bestuurstaal een juridische basis kreeg. Het voorgestelde recht op gratis vertalingen werd onder druk van Fryslân beperkt tot de groep direct-belanghebbenden. Ook werd vastgelegd dat het Fries spreken in vertegenwoordigende organen als de gemeenteraad vrij was en dat wat in het Fries was gezegd ook in het Fries genotuleerd moet worden. In 1995 werd de gewijzigde AWB door het Nederlandse parlement aangenomen, in hetzelfde jaar dat een nieuwe wet voor het rechtsverkeer de mogelijkheden voor gebruik van het Fries verruimde. In het volgend jaar werden de gemaakte wettelijke regelingen over het Fries internationaal bevestigd door de Nederlandse ratificatie van het Europees Handvest voor Regionale of Minderheidstalen (Raad van Europa). Het Handvest biedt voor de toekomst mogelijkheden om aangegane verplichtingen over het Fries als officiële taal door internationale druk in vervulling te laten gaan.

Gratis Homepage von Beepworld
 
Verantwortlich für den Inhalt dieser Seite ist ausschließlich der
Autor dieser Homepage, kontaktierbar über dieses Formular!