Stedsk


Artikels yn ferskillende tydskriften en boeken


- Gearfetting yn it Nederlânsk fan it proefskrift It Leewarders. In taalsosjologysk ûndersyk nei it Stedsk yn ferhâlding ta it Nederlânsk en Frysk yn Ljouwert. Ljouwert 1993: 269-94.

- "Lekker taaltsje" in Fryslân: het Stads = Straattaal is als verboden taal aantrekkelijk voor jongeren op middelbare school : 'lekker taaltsje' in Fryslân: het Stads).Yn: De Riepe; vol. 1 (1998) (desimber, pag. 12-13 / 1998

- 'LEEWARDERS'Lexicale veranderingen binnen het Hollandse stadsdialect van de Friese hoofdstad

 

-Het Stads van Fryslân is een van oorsprong Hollands dialect (ynterview yn de Friesland Post troch Henk van der Veer)

- It Snekers: in eigenaardige taal (Yn: W. Dooper (ed.) Sneek in de 20ste eeuw, 2006:


           


IT  LEEWARDERS

 

 

De promoasje sil wêze oan de Fakulteit fan de Letteren

 

Promoasjekommisje:

 

Promotor:prof. dr A. Feitsma

 

Ko-promotor:dr D Gorter

 

Leden:prof. dr P. Muysken

prof. dr C. van Bree

prof. dr L. Peeters

 

 

Foar de Lee(u)warders en de Ljouwerters

 

 


                          IT LEEWARDERS

 

                      In taalsosjologysk ûndersyk nei it Stedsk

           yn ferhâlding ta it Nederlânsk en it Frysk yn Ljouwert

 

                                                  troch

 

                        REITZE J. JONKMAN

 

                                       1993

                              Fryske Akademy


 

nr 771

 

 

CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG

 

 

Jonkman, Reitze Johannes

It Leewarders: in taalsosjologysk ûndersyk nei it Stedsk yn ferhâlding ta it Nederlânsk en it Frysk yn Ljouwert / Reitze Johannes Jonkman. - Ljouwert [Leeuwarden] : Fryske Aka­de­my. - Ill. (Fryske Akademy ; nr 771)

Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Met lit. opg. -

Met samenvatting in het Nederlands en Engels.

ISBN 90-6171-771-X

NUGI 941

Trefw.: sociolinguïstiek ; Friesland / stadsdialecten ; Leeuwarden / meertaligheid ; Leeuwarden.

 

 

© Fryske Akademy, Ljouwert, 1993

 

 

Uitvoerige samenvatting in het Nederlands

Het Leewarders:een taalsociologisch onderzoek naar het Stads in ver­houding tot het Neder­lands en het Fries in Leeuwarden

Proloog

In dit boek rapporteer ik over mijn onderzoek naar de sociale positie en het functioneren van het Leewarders (de meest gebruikte naam voor het Stads in Leeuwarden onder zijn sprekers). Het gaat hierbij in de eerste plaats om een studie gericht op een specifiek stadsdialect (vgl. het Amsterdams en het Berli­nisch). Als tweede is het een studie naar het stadsdialect in relatie tot de beide andere variëteiten in Leeuwarden: het Nederlands en het Fries. De sprekers van het Leewarders (hierna kortheidshalve aangeduid met ‘de Leewarders’) hebben namelijk regelmatig contact met Nederlands- en Friestaligen. In de derde plaats betreft het hier een onderzoek dat met verschillende methoden en technieken (triangulatie) uitgevoerd wordt (zie taheakke A).

      I.    INLEIDING

 

1 Historische en theoretische achtergronden van de probleemstelling

 

1.0 Vooraf

Naast het Fries en het Nederlands worden er in Friesland nog een aantal andere taalvariëteiten gesproken. Het Stads (ook wel “Stad(s)fries” genoemd) van verscheidene Friese steden is daar één van. Door het bestaan van het stadsdialect naast het Fries en het Nederlands in deze taalgemeenschappen is er sprake van meertalige situaties. Omdat het taalsociologische onderzoek in Friesland zich grotendeels heeft beperkt tot de Fries-Nederlandse tweetaligheid, zijn deze meertalige situaties onderbelicht gebleven. Daarom is er in deze studie voor gekozen de meertaligheid in de hoofdstad Leeuwarden, waaronder zijn stadsdia­lekt ‘Leewarders’, te onderzoeken.

      Mijn onderzoek sluit aan bij de recente belangstelling voor stadsdialecton­derzoek binnen de taalsociologie/sociolinguïstiek in het algemeen en voor het Stads in Friesland in het bijzonder. De probleemstelling richt zich op de positie en het functioneren van het Stads in verhouding tot het Nederlands en het Fries. De theoretische begrippen zijn vooral ontleend aan de macro-taalsociologie, de sociale psychologie van taal en de etnografie van taal.

      Drie belangrijke - met elkaar samenhangende - begrippen voor mijn beschrijving zijn taalachtergrond, taalgroep en taalgroepsidentiteit. De taalach­tergrond of moedertaal is het criterium om iemand bij een taalgroep in te delen. Door zijn lidmaatschap van die taalgroep bezit het individu ook een taalgroeps­identiteit. Andere hierbij aansluitende begrippen als groepsidentificatie en etnici­teit worden in 1.3 behandeld.

      De aanduidingen van de verschillende taalvariëteiten hebben in deze studie een taalsociologische inhoud. Met taal in beperkte zin wordt een taalvariëteit bedoeld die maatschappelijk als taal erkend is. Deze erkenning spreekt uit het gebruik voor lagere en hogere functies en het meer dan incidentele gebruik van een standaardvariëteit als schrijftaal voor beide functies. Voor een standaardva­riëteit bestaat er een codificatie en acceptatie van een set normen voor “correct” taalgebruik.

      Dialect wijst op een van de standaardtaal afwijkende taalvariëteit die niet voor maatschappelijk hogere functies wordt gebruikt en incidenteel als schrifte­lijk medium voor als regel lagere functies.

      Een sociolect is een dialect dat gebonden is aan een sociale groep. In deze studie wordt deze aanduiding gebruikt voor het benoemen van het dialect van een sociaal lagere groep.

     

1.1 De sociale positie van en het onderzoek naar het stadsdialect

Een (twintigste-eeuwse) stad is een multifunctionele centrale plaats. Door het centraliseren van verschillende functies voor onder andere economie en bestuur in de stad vestigen zich daar verschillende bevolkingsgroepen. Er ontstaat een sociale stratificatie met onder andere een dominante standaardtaal, een specifiek stadsdialect en dialecten van het omliggende platteland. Het stads is een socio­lect. Uit het werk van de sociolinguïst Labov kan afgeleid worden dat het stadse sociolect ten opzichte van het plattelandsdialect gekarakteriseerd kan worden door een sterkere sociaal-hiërarchische dimensie.

      Het ontstaan van het concept ‘stadsdialect’ heeft te maken met het door de eeuwen heen toenemen van de sociale stratificatie in taal. Dit leidde in West-Europa ongeveer in de tweede helft van de achttiende eeuw meer en meer tot het ontstaan van een algemene (staatsnationale) spreektaal van de hogere groepen met een hoog prestige. De overblijvende variëteit van de lagere groepen in de stad kreeg daardoor een relatief zelfstandige identiteit toegekend: een stadsdia­lect met een lager prestige.

      Het onderzoek naar het stadsdialect is relatief laat op gang gekomen, omdat de negentiende-eeuwse dialectologie om taalhistorische redenen enkel oog had voor de plattelandsdialecten die als taalkundig zuiver werden gewaardeerd. De stadsdialecten daarentegen werden als mengtaal beschouwd met elementen uit de algemene taal en de plattelandsdialecten. Daarom werd het stads als onzuiver en gecorrumpeerd afgewezen. Na pionierswerk van Lasch (1928 met het ‘Berli­nisch’) en Matthews (1938 met het ‘Cockney’) is het eigenlijk pas sinds het onderzoek van Labov (1966 in New York City) in de tweede helft van deze eeuw dat stadsdialectonderzoek regelmatig en systematisch wordt uitgevoerd.

      Labov maakte het met het opstellen van de variabele regel mogelijk voor de variatie in het stads - die bij eerste waarneming toevallig en niet aan regels gebonden leek - ook de sociale elementen te verantwoorden: hoe lager de plaats op de maatschappelijke ladder, hoe hoger de frequentie van sociolectische vari­anten in het taalgebruik van de spreker. Het verschil tussen de standaardtaal en een stadsdialect is in het algemeen niet categoriaal (komt een variant wel of niet voor), maar probabilistisch (hoe groot is de kans op het voorkomen van een variant); er bestaat een taalkundig continuüm vanaf de standaardtaal - via het stadsdialect met een lage frequentie aan sociolectische varianten - naar het stadsdialect met een hoge frequentie daarvan. De positie van het idiolect van een spreker op dit continuüm hangt onder andere samen met zijn maatschappelijke positie.

 

1.2 De historische ontwikkeling van het stadsdialect in Berlijn en Neder­land

Uit de voorbeelden van de historische ontwikkeling van onder andere het Berlinisch en het Amsterdams blijkt dat door de vestiging en de uitbreiding van een van buiten ingevoerde (spreek)taal het oorspronkelijk in de stad gesproken dialect - dat niet zal hebben afgeweken van dat van het omliggende platteland - steeds meer naar het platteland werd terug gedrongen. Door die ontwikkeling werd er in de zeventiende eeuw onderscheid gemaakt tussen stad- en landtaal (‘stadtaalvorming’). De stadtaal was een ingevoerde spreektaal die elementen van het oorspronkelijke dialect (substraat) in zich had opgenomen. Hoewel de taalkundige variatie binnen de stadtaal groot moet zijn geweest, zal deze taalva­riëteit vermoedelijk niet in subvariëteiten met een eigen naam zijn opgedeeld. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw bleek er een conceptuële opdeling te zijn gemaakt binnen de variëteit van de stedelingen in een algemene (staatsna­tionale) spreektaal en een specifiek stadsdialect (‘conceptualisering’). In de loop van de negentiende eeuw zou dit stadsdialect maatschappelijk steeds verder afzakken tot de laagste bevolkingsgroepen en zo tot sociolect worden (‘sociolec­tisering’). Door deze sociale neergang werd het stadsdialect in de twintigste eeuw geassocieerd met een uitgesproken laag prestige.

1.3 De theoretische achtergronden betreffende de sociale spreiding van taal, de taalhouding en het taalgedrag

1.3.0Inleiding

Met het oog op het onderzoek naar de taalsituatie in Leeuwarden bespreek ik de relevante theoretische achtergronden van de sociale spreiding van de taalvari­teiten, van de taalhouding en het taalgedrag. Door het ontbreken van een uitge­werkte theorie zijn voor die beschrijving theoretische begrippen geformu­leerd die aansluiten bij de meertalige situatie van Leeuwarden. Twee aspecten staan daarbij centraal.

      Het ene aspect betreft het soort meertaligheid: intragroep-meertaligheid en intergroep-meertaligheid. Bij de intragroep-meertaligheid wordt gekeken naar het taalgedrag binnen een taalgroep die verschillende variëteiten in gebruik heeft. Bij de intergroep-meertaligheid wordt bij het onderzoek van het taalgedrag tussen verschillende taalgroepen de taalachtergrond van de gespreksdeelnemers betrokken.

      Het tweede aspect - dat met het eerste samenhangt - is het principe achter de verdeling van het taalgedrag; daarbij is de vraag of het gaat om:

a) de geschiktheid van een variëteit voor een bepaalde functie, of

b) de aanpassing van het taalgedrag bij de taalachtergrond van de individuele gespreksdeelnemer(s).

Als de geschiktheid van de variëteit het principe achter de verdeling van het taalgedrag is, dan gaat het in de taalkeuze om functionele distributie, is het de aanpassing bij de taalachtergrond van de aangesproken persoon dan wordt het taalkeuzepatroon in dit onderzoek met etnische distributie aangeduid. In het volgende schema zijn deze twee aspecten tegen elkaar uitgezet.

 

Schema 1. Relatie tussen soort meertaligheid en distributie

 

                                                           Soort meertaligheid

Distributie

                                 intragroep                                               intergroep

 

functioneel             intragroep met                                       intergroep met                                                          

                              functionele distributie                       functionele distribu­tie                                                    

                                                                                                                                                                                                                          

etnisch                     (intragroep met                                   inter­groep met                                                             

                              etnische distributie                             etnische distributie                                                         

                              is niet van toepassing)

 

Bij intragroep-meertaligheid wordt alleen naar de distributie binnen één en dezelfde groep gekeken, los van de vraag of de taalkeuze op de taalachtergrond van de aangesprokene(n) is gebaseerd. De combinatie van intragroep-meertalig­heid en etnische distributie is dus uitgesloten.

1.3.1Intragroep-meertaligheid en diglossie

Twee bekende macro-sociologische analyses van een meertalige maatschappij zijn ontwikkeld door Ferguson en Fishman. Ferguson maakte het begrip diglossie (in klassieke zin) bekend voor het gebruik van twee (of meer) verwante taalvariëteiten die voor specifieke functies worden aangewend. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een hoge variëteit (H), die geschikt is voor de officiële formele omgang (meestal een standaardtaal, bijv. Klassiek Arabisch), en een lage variëteit (L), die in de dagelijkse informele omgang wordt gesproken (meestal een bijbehorend dialect, bijv. Egyptisch Arabisch). De taalkeuze in een concrete situatie wordt sociaal gestuurd; individuele leden van de taalgemeen­schap (= de taalgroep) kunnen niet zonder sociale sancties de niet-voorgeschre­ven variëteit kiezen. De variëteiten vullen elkaar functioneel aan. H wordt door de leden van de taalgemeenschap als drager van prestige beschouwd en wordt daarom bijna nooit in de informele omgang gebruikt. L is door iedereen als eerste taal aangeleerd. Alle leden van de hele taalgemeenschap hebben dezelfde taalachtergrond en kunnen daarom tot één en dezelfde taalgroep worden gere­kend. Het deel van de taalgroep dat maatschappelijk H nodig heeft, leert die variëteit erbij. Er kan gesproken worden van meertaligheid binnen de groep (intragroep), met een scherpe functionele opdeling van de taalvariëteiten.

    Fishman breidde het begrip diglossie uit. Hij verklaarde het begrip ook van toepassing op taalvariëteiten die een minder direkte verwantschap hebben, bij­voorbeeld Spaans en Engels bij Portoricanen in de Verenigde Staten. Het ging nu niet meer om twee variëteiten van één en dezelfde taalgroep, maar om de taal van de eigen groep en die van een andere groep. Fishman beperkte de analyse van het gebruik van beide talen evenwel tot de leden van de groep Portoricanen die meertalig zijn. Bij de analyse werd dus niet de vraag behandeld in hoeverre de keuze voor het Engels tegen leden van de Engelse taalgroep van de taalach­tergrond kon afhangen. Het aspect van de intergroep-meertaligheid wordt bij dit type onderzoek buiten beschouwing gelaten. De analyse richt zich op de intra­groep-meertaligheid.

    Bij de analyse van taalgedrag binnen de taalgroep maakt Fishman gebruik van het begrip domein. Domein geeft een deel van het maatschappelijk verkeer aan dat een min of meer vast interactiepatroon heeft; het is een abstracte bundeling van gelijksoortige gesprekssituaties (een bijelkaar horende combinatie van sociale rollen van de deelnemers, plaats en onderwerp) waarin één van beide variëteiten “behoort” te worden gesproken. De gebruikers van de variëteiten kennen de sociale normen en waarden die aangeven welke taal de voorkeur heeft, ofwel wat de geschiktheid (‘appropriateness’) van een variëteit in een bepaalde situatie is. H wordt meestal gebruikt in formele gesprekssituaties die kunnen worden gerekend bij de domeinen: bestuur, massa-media, onderwijs, bedrijfsle­ven en kerk. L heeft de voorkeur voor gesprekssituaties met een informeler ka­rakter die geplaatst worden in de domeinen: gezin, kennissen en buurt. Hier geldt dus de functionele distributie. De graad van formaliteit is daarbij het criterium. Het vaststellen van de verdeling volgens domeinen geeft daarom niet alleen antwoord op de vraag wie welke taal spreekt tegen wie en wanneer, maar impli­ciet ook op die naar het waarom van die keuze.

    Bij de analyse van taalgedrag door Blom en Gumperz gaat het voor een groot deel ook over sociale normen, maar er is bij hen meer ruimte voor de individuele houding van de spreker tegenover (de normen van) het gebruik van een variëteit in een bepaalde setting. Zowel de contextuele beperkingen (op grond van sociale normen) als de houding van het individu tegenover deze beperkingen spelen een rol bij het maken van een taalkeuze.

    Ik kom tot de conclusie dat Ferguson, Fishman en ook Blom en Gumperz een principe proberen te vinden dat de keuze voor een bepaalde variëteit kan be­schrijven of expliciet verklaren. Volgens Fishman kan de opvatting die de leden van een diglossische maatschappij hebben over de verschillende variëteiten, een gevolg zijn van de associatie met bepaalde functies. Ook Blom en Gumperz ken­nen aan de met een variëteit geassocieerde eigenschappen een verregaan­de invloed toe op de taalkeuze, maar deze eigenschappen kunnen volgens hen door de taalgebruiker vrijer gehanteerd worden. Dat de associaties bij de zojuist genoemde onderzoekers zo'n dominante rol in de verklaring van het taalgedrag spelen, schrijf ik toe aan hun beperking van de analyse tot één taalgroep. De andere taalgroepen in dezelfde taalgemeenschap (= de samenleving als geheel) worden buiten beschouwing gelaten.

Voor het onderzoek naar de meertaligheid in Leeuwarden ben ik er van uitge­gaan dat de intragroep-meertaligheid en de functionele distributie niet toereikend zouden zijn. Binnen de taalgemeenschap van Leeuwarden bevinden zich name­lijk meerdere taalgroepen en zeker voor het taalgedrag van Friestaligen zijn er aanwijzingen dat het Fries ook voor formele domeinen geschikt wordt geacht. Een beperking van het onderzoek tot (de normen voor) het taalgedrag en het meten van de met een variëteit geassocieerde eigenschappen bìnnen elk der groepen leidt niet tot een adequate beschrijving en verklaring.

1.3.2Intergroep-meertaligheid

Uit verschillende Europese onderzoeken onder taaletnische minderheidsgroepen (o.a. bij Gaelictaligen in Schotland en Hongaarstaligen in Oostenrijk) blijkt dat kennis over de taalachtergrond van de aangesproken persoon de taalkeuze beïnvloedt. De bekendheid met de taalgroepsidentiteit van de gesprekspartner neemt af, als de gesloten sociale netwerken binnen de minderheid door sociale mobiliteit worden open gebroken. Tegenover onbekenden zal steeds vaker voor de dominante taal gekozen worden. Het gebruik van de minderheidstaal neemt af. De groep sprekers die overblijft vormt uiteindelijk een sociaal lagere groep. De associatie van de variëteit met de sociale positie van deze groep kan nu mede als oorzaak van de lage geschiktheid voor gebruik in formele domeinen aange­wezen worden.

    Bij geschiktheid moet hier niet in de eerste plaats gedacht worden aan de associatie met een variëteit op zich die door normen voor taalgedrag in een bepaalde context - met een samenhangende combinatie van plaats, onderwerp en sociale rollen - voorgeschreven is (contextgebonden). Het gaat veeleer om een associatie die in verband wordt gebracht met de sociale positie van de groep die deze variëteit spreekt (klassegebonden).

    De etniciteit van een taalgroep wordt in deze studie omschreven als het besef bij een etnische groep te horen, dat gebaseerd is op de gemeenschappelijke taal­achtergrond van de groepsleden en op de waarde die aan het lidmaatschap van de taalgroep verbonden wordt. De afbakening van het begrip etniciteit is in de praktijk problematisch, omdat ook familiebanden en geboorteplaats een rol kunnen spelen bij de (zelf)identificatie. De groepsidentificatie als Nederlander, Fries of Leewarder - een zelfbenoeming met de naam van de taalgroep - hoeft niet noodzakelijkerwijze op grond van de taalachtergrond te zijn.

    Tweetaligen gebruiken met dezelfde persoon als regel dezelfde taal, ondanks wisseling van plaats, onderwerp of sociale rollen. Deze drie aspecten kunnen wel weer van invloed zijn bij het bepalen van de taalkeuze tegenover anonieme anderen. Op grond van eerder uitgevoerd onderzoek wordt aangenomen dat voor tweetaligen in Friesland het taalkeuzeprincipe op de (veronderstelde) taalgroeps­identiteit van de gespreksdeelnemer wordt gebaseerd: Fries tegen van huis uit Friestaligen en Nederlands tegen van huis uit Nederlandstaligen (etnische distri­butie).

    In eerder onderzoek zijn met behulp van de zogenoemde matched-guisetech­niek de (taal)groepsstereotypen bestudeerd. Daarbij werd dezelfde spreker op grond van verschillende door hem op de band ingesproken talen beoordeeld. Dit onderzoek leverde in de evaluatie van de sprekers een abstracte opdeling op in twee dimensies: prestige en solidariteit. Een H variëteit wordt hoog gewaardeerd op de prestigedimensie en een L variëteit hoog op de solidariteitsdimensie.

    In de spraakaanpassingstheorie van Giles en anderen worden de taalkeuzes op basis van taalgroepsidentiteit verder uitgewerkt. Mensen die sociale waardering van de aangesprokene(n) willen hebben en/of efficiënter met elkaar willen com­municeren, zullen hun taalgebruik zo goed mogelijk aanpassen bij het taalge­bruik van de ander(en) zoals zij dat waarnemen (aanpassing ofwel con­vergen­tie). Als mensen zich daarentegen willen afzetten tegen de aangesproke­ne(n) en/of hun eigen afwijkende identiteit willen beklemtonen, verwijderen zij zich met hun taalgebruik verder van de aangesprokene(n) (afwijking ofwel divergen­tie).

    Verstaanbaarheid in verband met een efficiënte communicatie is daarbij vaak een bijkomstige reden, want ook als de minderheidstaal door leden van de domi­nante taalgroep wordt verstaan, dan nog zullen de leden van de niet-dominante taalgroep de leden met de andere taalgroepsidentiteit als regel niet in hun eigen, niet-dominante, taal aanspreken. De fatsoensnormen (nu normen binnen de intergroep-meertaligheid) voor de (tweetalige) spreker van de niet-dominante taal schrijven ook dan voor dat hij zich in zijn taalgedrag aanpast bij de taalach­tergrond van de dominante groep.

1.4 Doel- en probleemstelling

De analyse van de sociale positie en het functioneren van het Leewarders in verhouding tot het Nederlands en het Fries in Leeuwarden richt zich op twee punten. Voor de interactie van meertalige leden van een taalgroep, hetzij de Leewarder, hetzij de Friese, zijn van belang:

1) kennis over de taalgroepsidentiteit van de aangesprokene(n) en

2) de met de niet-dominante variëteiten geassocieerde eigenschappen.

Daarbij is de intergroep-meertaligheid en de taalkeuze op grond van taalgroeps­identiteit (de etnische distributie) het uitgangspunt. Indien er geen aanwijzingen zijn voor taalgroepsidentiteit als bepalende factor, wordt de geschiktheid (door klassegebondenheid) als een belangrijk principe achter de taalkeuze (functionele distributie) in de analyse betrokken.

    Naast de nadere beschrijving en een aanzet tot verklaring van de sociale positie en het functioneren van het Leewarders heeft dit onderzoek ook ten doel een bijdrage te leveren aan de uitwendige geschiedschrijving van stadtaal in Nederland en de daarmee samenhangende positie van het Nederlands. Bovendien kunnen door de gekozen invalshoek van intergroep-meertaligheid ook nieuwe gegevens over de sociale positie en het functioneren van het Fries in Friesland in het algemeen verkregen worden.

    De probleemstelling van dit exploratieve onderzoek wordt gestuurd door de vraag: wie spreekt welke taal tegen wie, waar en waarom? ‘Wie’ en ‘tegen wie’ vragen, anders dan bij Fishman, niet in de eerste plaats naar de (hiërarchische) rolverhouding tussen de spreker en de aangesprokene(n) maar veeleer naar hun taalachtergrond en bijbehorende taalgroepsidentiteit.

 

             II.  DE GESCHIEDENIS

 

2 De ontwikkeling van de taalsituatie in Leeuwarden tot 1900

2.1 Een taalkundige karakterisering van het Leewarders op grond van een achttiende-eeuwse tekst

Aan de hand van de tekst Het vermaak der slagterij uit 1768 die als oudst overgeleverde bron van het Leewarders wordt gezien, worden enkele punten aangegeven waarin het Leewarders (synchroon) in die tijd taalkundig van het Nederlands en het Fries zou afwijken. Een aantal vocalen die als karakteristiek worden aangemerkt zijn <eu> (bijv. ‘speule’ en ‘teugen’), <u> (‘zundag’ en ‘mutte’) en <ú> (‘zuden’ en ‘wuden’). Het Leewarders had toen waarschijnlijk taalkundig al een eigen identiteit die het onderscheidde van de twee andere in Leeuwarden gesproken variëteiten. In mijn schets van de uitwendige geschiede­nis van de stadtaal in Leeuwarden zullen taalkundige aspecten overigens slechts een aanvullende rol spelen. Ik tracht voornamelijk op grond van historische gegevens de herkomst van de stadtaal en de verdere ontwikkeling tot aan 1900 weer te geven.

2.2 Een uitwendige geschiedenis van het Leewarders

2.2.1Maatschappelijk leven en taal in Leeuwarden

Mede door de invloeden van de handel, het bestuur en het kloosterleven in Leeuwarden veranderde in de zestiende eeuw de bevolkingssamenstelling wat de taalachtergronden betreft. Dit had een ontfriesing tot gevolg van de bovenste lagen door Brabanders, Hollanders en immigranten van Overijsselse en Gelderse herkomst. Het begin van deze ontwikkeling wordt op basis van het bijna niet meer voorkomen van het Fries als schrijftaal in het bestuur geplaatst in het tweede kwart van de zestiende eeuw.

2.2.2De spreektalen in Leeuwarden sinds 1498

Drie teksten uit de tweede helft van de zestiende eeuw (van Conradus Gesnerus, Ubbo Emmius en Suffridus Petrus) geven aanwijzingen dat een niet-Friese stadtaal zich toen al gevestigd had in Leeuwarden, ten koste van het Fries dat daardoor steeds meer als landtaal beschouwd ging worden (de stadtaalvorming). De Zwitser Conradus Gesnerus onderscheidde een Brabantse en een Hollandse omgangstaal in de stadtaal. Op grond van historische gegevens zou aangenomen kunnen worden dat de Brabantse variëteit met de sociaal hogere bestuurders werd verbonden en de Hollandse met de handelslieden. De overeenkomsten tussen varianten uit Holland en de later in de Leeuwarder stadtaal aangetroffen varianten <eu>, <u> en <ú>, maken het waarschijnlijk dat deze varianten oorspronkelijk afkomstig zijn uit de Hollands gekleurde verkeerstaal. Dit is aannemelijk omdat de contacten met Amsterdam en andere Hollandse steden vanaf de zestiende eeuw de grootste plaats in de uitwisseling met gebieden buiten Friesland zouden innemen. Diachroon-taalkundig kan het Leewarders zoals we dat nu kennen als een Hollands dialect aangemerkt worden. De inwer­king van het Friese substraat op deze Hollandse variëteit tijdens de vestiging als moedertaal in Leeuwarden en daarna, beschouw ik niet als zo diepgaand dat er van een duidelijke mengtaal (een evenwichtige synthese van de twee samenstel­lende variëteiten) gesproken kan worden. Deze aanname is gebaseerd op de idee dat het passief en actief aanleren van deze verwante verkeerstaal voor de Friezen die geregeld in contact stonden met bestuurders en handelslui van elders geen al te grote moeilijkheden moet hebben opgeleverd. De Friese invloed zou groten­deels beperkt zijn gebleven tot een fonologisch, morfologisch en lexicaal sub­straat.

      De discussie die enkele decennia geleden tussen Fokkema en Hof gevoerd is, lijkt - zo blijkt uit de literatuur en losse citaten in de hedendaagse pers, en het gebruik van de term ‘Stad(s)fries’ daarbij - in het voordeel van Fokkema te zijn uitgevallen. Fokkema was van mening dat het Fries in Leeuwarden sterk door het Brabants is beïnvloed en tot een vernederlandst Fries leidde. Hof daarentegen wees op de grote taalkundige overeenkomsten van het dialect van Leeuwarden met de dialecten in het Hollandse Noorderkwartier. Fokkema zag in de overeen­komsten met dit Hollands geworden West-Friesland juist een bevestiging van zijn aanname dat uit een synthese van Fries en niet-Fries varianten waren voortgekomen die nu in de beide dialecten voorkomen. De varianten waarop Fokkema vermoedelijk doelde kwamen echter ook in gebieden voor waar nooit Fries is gesproken. Overname van het Hollands (in eerste instantie als tweede taal) is daarom geenszins uitgesloten en gezien de geschiedenis van de handels­contacten met deze gebieden ook aannemelijk.

      De overgenomen spreektaal werd, naar ik aanneem, niet als iets nieuws gezien (wat bij een synthese eerder zou zijn te verwachten). Dit is ook af te leiden uit de aanduiding van de stadtaal (ook in Leeuwarden) met Nederlands. Rond 1700 werd door Hilarides de stadtaal als een “byzondere” variëteit van de algemenere taalvariëteit van de hele Nederlanden aangeduid. Hij maakte wel een onderscheid in “gemeen Neerduits” en “Stadfries”. Het element ‘Fries’ werd dus geografisch geduid: stadtaal in Friesland.

      In de tweede helft van de achttiende eeuw werd er voor het eerst een speci­fieke aanduiding voor het Leeuwarder dialect gebruikt: “(platte) Leeuwarder taal” (de conceptualisering). Het ging om een conceptuele afscheiding van het Nederlands, dat een steeds sterkere taalkundige normering voor de spreektaal onderging. In het Idioticon Frisicum van 1802 dat pretendeerde (een soort) Nederlands weer te geven, zijn dialectismen uit de Friese steden opgenomen; de variëteit van het Idioticon is daarmee taalkundig Stads.

      Het schijnbare samenvallen van dit regionale Nederlands met het Stads lijkt in strijd met de aangenomen conceptualisering van het stadsdialect. De gehele negentiende eeuw door en ook nog in de twintigste eeuw lijken trouwens Lee­warder dialectismen in het taalgebruik van de hoogste standen te vinden te zijn. Het ging waarschijnlijk niet om categoriale maar om probabilistische verschillen tussen het Nederlands en het Leewarders. Een duidelijke sociolectisering van het stadsdialect had vòòr de twintigste eeuw nog niet plaatsgevonden.

3 De ontwikkeling van de taalsituatie in Leeuwarden na 1900

In het tweede decennium van de twintigste eeuw kwamen economische en socia­le ontwikkelingen op gang die hun weerslag vonden in de houding tegen­over het stadsdialect. De hogere en de middenklasse gingen bewust afstand nemen van het dialect, zodat bijna alleen de laagste klasse het nog sprak; vanaf het interbel­lum kon het Leewarders als een sociolect worden omschreven (de sociolectise­ring).

      Niet alleen de schriftelijke bronnen melden dit, ook de voor dit onderzoek geselecteeerde groep oudere Leeuwarders en sleutelinformanten (n=30) berich­ten hierover. Vóór de Eerste Wereldoorlog was er weinig verschil met de taalsi­tuatie in de negentiende eeuw, maar over de tijd na deze oorlog rapporteren de informanten dat er vrij massaal overgestapt werd op het Nederlands. Het Lee­warders werd tot een sociolect. Toch bleef het nog steeds moeilijk taalkundig een duidelijke grens te trekken, omdat vooraanstaande leden van de Leeuwarder gemeenschap nog steeds veel dialectismen in hun spreektaal gebruikten. Het idiolect van een spreker bevond zich ergens op het taalkundig continuüm Nederlands-Leewar­ders. De indeling bij het Nederlands of het Leewarders was deels een subjectieve kwestie, en bleek mede af te hangen van de sociale positie van de beoordelaar. Vooral informanten uit de hogere en middenklasse maakten een onderscheid in Nederlands, beschaafd Stads en plat Leewarders. Een duide­lijk taalkundig onderscheid tussen beschaafd en plat werd niet gegeven. Alleen kon geconsta­teerd worden dat met beschaafd Stads Nederlandser gekleurd Leewarders werd bedoeld. Ook veronderstelde verschillen in het dialectgebruik in diverse stads­wijken konden niet taalkundig geduid worden. Aangenomen is dat de geografi­sche verschillen binnen het Leewarders verband hielden met de sociale verschil­len tussen de stadswijken. De middenstand woonde meer in de binnenstad, de arbeidersbuurten waren ten oosten van het centrum gesitueerd.

      Het prestige van het Fries is sinds het begin van deze eeuw sterk toegenomen. Werd het Fries vóór de Eerste Wereldoorlog voornamelijk als een boerendialect beschouwd, in het interbellum was in de institutionele sfeer - gebruik in de Provinciale Bibliotheek en de oprichting van de Fryske Akademy - voorzichtig iets merkbaar van de activiteiten van de Friese beweging in Leeuwarden. De sociale opgang van het Fries werd in het taalverkeer in de stad pas merkbaar aan het eind van het interbellum en vooral in de periode na de Tweede Wereldoorlog. In winkels, maar ook op vergaderingen in Leeuwarden werd nu ook wel Fries gesproken. Het geregeld gebruik in formele domeinen als de vergaderzaal van de Provinciale Staten en de media maakte het mogelijk volgens het taalsociologi­sche criterium over het Fries als taal met een zeker aanzien te spreken.

      Sommige informanten geven aan dat het Leewarders als sociolect negatieve associaties op de prestigedimensie bezat en enkele positieve op de solidariteits­dimensie (‘vertrouwdheid’). Bij het al dan niet kiezen voor het Leewarders werd niet duidelijk of de geschiktheid voor het domein (functionele distributie), dan wel de taalgroepsidentiteit van de aangesprokene(n) (etnische distributie) de doorslag gaf. De negatieve associaties op de prestigedimensie wezen in de richting van de eerste soort distributie.

      Het Fries kreeg meestal de status van taal toegekend en werd wel geschikt geacht voor het gebruik in formele domeinen. Tegelijk bezat het positieve asso­ciaties op de solidariteitsdimensie. Voor het Fries werd regelmatig de onver­staanbaarheid voor sommige mensen als problematiserende factor ge­noemd. Het gebruik en de associaties van het Fries wezen voorlopig in de richting van het principe aanpassing bij de taalgroepsidentiteit van de aangespro­ken persoon (etnische distributie).

 

             III.  DE JAREN TACHTIG

 

4 De kwantitatieve vergelijking van de drie taalgroepen op taalachtergrond, sociale positie en groepsidentificatie

 

4.1 De kwantitatieve verhoudingen volgens taal van huis uit en taalbe­heersing (T1 en T2)

Op grond van uitkomsten van enquêtes (surveys) kan er in vergelijking met de tweede helft van de jaren zestig in de jaren tachtig van een grote toename van het Nederlands en een grote afname van het Stads in Leeuwarden worden gesproken. Het Fries blijft in deze periode nagenoeg stabiel. Volgens Pietersen werd er in 1967 door 28 procent Nederlands, door 29 procent Fries en door 37 procent Stads (waaronder voornamelijk Leewarders) thuis gesproken. Uit de in het kader van mijn onderzoek in 1988 gehouden ‘grote enquête’ (n=375) komt voor dezelfde categorieën respectievelijk 49, 26 en 23 (waarvan 20 Leewarders) procent als eerste taal. Het Nederlands is numeriek veruit de grootste taal geworden met het Fries en het Leewarders als minder-gesproken variëteiten (zie tabel 4.1).

      Dit blijkt ook uit het bijleren als tweede taal. Van het Nederlands neem ik aan dat iedereen van de kleinere groepen dit leert spreken en dat daardoor de pro­duktieve beheersing voor de gehele bevolking op 100 procent komt. Met betrek­king tot het Fries en het Leewarders komen de totalen respectievelijk op 50 en 49 procent (zie tab. 4.2). Een opmerkelijk gegeven is dat de sprekers van het Leewarders die het Fries als tweede taal hebben bijgeleerd (de helft van hen, zie tab. 4.3), dat voor het grootste gedeelte in de jaren voor of na de middelbare school hebben gedaan (zie tab. 4.4 en 4.5). Wat de receptieve beheersing van de numerieke minderheidsvariëteiten aangaat, blijkt dat beide door een kleine negentig procent van de hele stadsbevolking kunnen worden verstaan (zie tab. 4.2).

      De omvang van de taalgroepen is door migratie en taaloverdracht beïnvloed. Het Nederlands is door beide invloeden versterkt. Het aandeel van het Fries is vergroot door migratie, terwijl de taaloverdracht een grote uitval ten faveure van het Nederlands laat zien. Het Leewarders ondervindt nadeel van beide (zie par. 4.1.3).

4.2 De sociale positie

De sociale verhoudingen werken ook in het voordeel van het Nederlands. De leden van de Nederlandse taalgroep hebben veruit de hoogste opleiding genoten. Van de Nederlandstaligen valt 54 procent in de hoogste categorie (havo t/m universiteit), terwijl dit voor de Friestaligen en Leewarders respectievelijk 32 en 22 procent is (zie tab. 4.16). Voor de Leewarders wordt de sociaal lage positie bevestigd door de concentratie op het beroepsniveau van de lagere employés (zie tab. 4.17) zoals die naar voren komt in de speciaal onder hen gehouden ‘Leewar­der enquête’ (n=58).

4.3 De groepsidentificatie

De groepsidentificatie (zie 1.3.2) van de taalgroepen wordt in deze studie afge­meten aan de mate van identificatie met de naam die samenhangt met de eigen taalgroep. Deze identificatie hoeft niet noodzakelijkerwijze op taalachter­grond gebaseerd te zijn. Het blijkt dat de Nederlandstaligen zich in meerderheid (63%) in de eerste plaats als Nederlander zien en niet als Fries (10%), de Friestaligen in meerderheid (55%) als Fries maar ook een kwart (25%) als Nederlander, terwijl de Leewarders zich in minderheid (46%) als Leewarder identificeren maar bijna even sterk (36%) als Nederlander (zie tab. 4.18). Bovendien blijkt uit de Lee­warder enquête dat de Leewarders niet ontkennen Fries te zijn, nu waarschijnlijk gebaseerd op het feit dat zij in Friesland geboren en getogen zijn en/of een in de Friese steden thuishorend dialect spreken (zie tab. 4.19).

      Een andere aanwijzing voor de groepsidentificatie is gezocht in de voorkeur voor de woonplaats, waarbij het taalgebied mogelijk een rol kan spelen. De Nederlandstaligen kiezen het meest (44%) voor Leeuwarden als favoriete woonplaats en meer dan een kwart (28%) voor buiten Friesland. Ook hier zijn aanwijzingen te vinden voor een zekere niet-identificatie met het meer Friestali­ge gebied buiten Leeuwarden. De Friestaligen spreken hun woonvoorkeur juist wel voor het grootste deel (46%) uit voor het Friese gebied buiten de hoofdstad. Eenderde deel (36%) heeft een voorkeur voor Leeuwarden als woonplaats. De Leewarders kiezen zelfs met een meerderheid (58%) voor hun eigen geboorte­grond, maar een belangrijk deel (28%) geeft de voorkeur aan een woonplaats in een Fries gebied buiten Leeuwarden (zie tab. 4.21).

      Uit vergelijkingen op grond van de uitkomsten over groepsidentificatie, geboorteplaats (zie tab. 4.7) en woonplaatsvoorkeur zijn achteraf relatieve tegenstellingen tussen de taalgroepen afgeleid om tot abstractere en daardoor gemakkelijker interpreteerbare begrippen te komen: profielen. Voor de Neder­landse groep wordt op grond van groepsidentificatie (meerderheid Nederlands), geboorteplaats (Leeuwarden en buiten Friesland) en woonplaatsvoorkeur (Leeu­warden en buiten Friesland) een niet specifiek lokaal, maar algemeen Nederlands profiel aangenomen. Bij de Friese taalgroep liggen de uitkomsten voor de groepsidentificatie (meerderheid Fries), geboorteplaats (in Friesland) en woon­plaatsvoorkeur (kleine minderheid niet in Friesland) meer in elkaars verlengde. Dit kan een specifiek regionaal (=Fries) profiel genoemd worden. Voor de Leewarders komt de groepsidentificatie (niet in meerderheid Leewarder en geen bezwaar tegen het Fries-zijn) niet overeen met de geboorteplaats (Leeuwarden) en de woonplaatsvoorkeur (meerderheid Leeuwarden). Het gaat bij de Leewarder taalgroep om een laag lokaal, neutraal Fries profiel.

4.4 De hiërarchie van de taalgroepen en van de taalvariëteiten

In het voorgaande zijn de verhoudingen uit een macro-perspectief beschreven. Die beschrijving kan gebruikt worden als uitgangspunt voor de interpretatie van het functioneren van de drie taalvariëteiten c.q. het taalgedrag in de taalgemeen­schap van Leeuwarden. Als hulp bij deze interpretatie wordt een hypotetische hiërarchie op grond van de getalssterkte van de taalgroep, de sociale positie en de groepsidentificatie afgeleid: 1. Nederlands, 2. Fries en 3. Leewarders.

5 Taalhouding en taalgedragshouding

5.1 Het Leewarders en het Fries in formele domeinen

Het functioneren van de variëteiten wordt verder geïnterpreteerd vanuit het micro-perspectief op grond van de houding tegenover de verschillende taal­variëteiten. Uit een vergelijking van de beoordeling van het Leewarders en het Fries op openbare vergaderingen in Leeuwarden bij de grote enquête blijkt een positievere waardering voor het Fries (vooral door de Friestaligen) dan voor het Leewarders. De gemiddelde score van 47 procent ‘positief’ en 38 procent ‘negatief’ voor het Fries duidt op een tegenstelling op het punt van de geschikt­heid van deze taal in het formele domein van een openbare vergadering. Het Fries wordt voor gebruik in de basisschool in Leeuwarden veel algemener geschikt geacht. Gemiddeld is 77 procent hier positief over en 16 procent negatief (zie tab. 5.1a). Een kwart (25%) van alle respondenten verbindt voor­waarden aan Fries op vergaderingen: een positief standpunt wordt met het criterium algemene verstaanbaarheid verbonden (zie tab. 5.1b).

5.2 Houding tegenover het Nederlands, het Fries en het Leewarders aan de hand van hiermee geassocieerde eigenschappen

5.2.0 Inleiding vergelijkend label-onderzoek en factoranalyse

Met behulp van een beoordelingslijst (voorzien van tweepolige schalen: ‘seman­tische differentialen’) hebben de respondenten hun houding tegenover de drie variëteiten weergegeven op een vijftiental eigenschappen (o.a. ‘deftig’, ‘ge­schoold’, ‘vertrouwd’ en ‘gemoedelijk’). Dit gebeurde op basis van de labels “Nederlands”, “Frysk” en “Liwwadders”. Op grond van de gecodeerde scores (variërend tussen 7 en 1) zijn per taalgroep en per taalvariëteit gemiddelden berekend. De beoordelingslijst is tegelijk met de grote enquête afgenomen.

      De factoranalyse maakt het mogelijk door een reductie van het verkregen datamateriaal tot een hogere abstractie van de onderliggende variabelen te komen. De eigenschappen zijn ingedeeld in twee factoren, ook wel aangeduid met dimensies: de prestigedimensie (o.a. met ‘deftig’ en ‘geschoold’) en de solidariteitsdimensie (o.a. met ‘vertrouwd’ en ‘gemoedelijk’). Eén eigenschap (‘vlot’) kon niet eenduidig bij een van beide dimensies worden ingedeeld.

5.2.1 Vergelijking van de taalvariëteiten per taalgroep

Bij de weergave van de resultaten is uitgegaan van de eerder veronderstelde hiërarchische ordening van variëteiten: 1. Nederlands, 2. Fries en 3. Leewarders (zie par. 4.4).

      Als met de gemiddelde scores per taalgroep (de ene taalvariëteit hoger dan of gelijk aan de lager veronderstelde taalvariëteit, getoetst met Students t-test) aan deze rangorde werd voldaan, zou er een bevestiging zijn van de aangenomen hiërarchie voor de betreffende taalgroep.

      Het blijkt dat de Nederlandse taalgroep bij de onderlinge vergelijking tussen de beoordelingen vijf keer de aangenomen hiërarchie verstoort door een eigen­schap van de lager geordende variëteiten (drie keer met betrekking tot het Fries en twee keer tot het Leewarders) significant hoger te scoren (zie tab. 5.2). De Friese taalgroep veroorzaakt elf keer een verstoring van de aangenomen hiërarchie, negen keer in het voordeel van het Fries (ten opzichte van het Nederlands) en twee keer in het voordeel van het Leewarders ten opzichte van het Nederlands (zie tab. 5.3). De Leewarder taalgroep zit met zijn score van zeven verstoringen tussen de beide andere taalgroepen in. Hiervan zijn slechts drie verstoringen in het voordeel van de eigen variëteit en vier ten faveure van het Fries tegenover het Nederlands (zie tab. 5.4). Bij alle hier genoemde versto­ringen betreft het solidariteitseigenschappen.

      Opvallend is dat de Friestaligen met betrekking tot deze eigenschappen het sterkst in het voordeel van de eigen variëteit afwijken, terwijl de Leewarders dat bijna niet doen. De sprekers van het Leewarders beoordelen namelijk het Lee­warders op de solidariteitseigenschappen niet anders dan de twee andere vari­teiten. Een andere opvallende uitkomst is dat de Friestaligen op enkele presti­ge-eigenschappen geen significante verschillen tussen het Nederlands en het Fries maken. De Leewarders geven een negatieve beoordeling van de eigen variëteit op prestige-eigenschappen. Dit leidt tot de conclusie dat er een sterk etnisch besef bestaat onder de Friestaligen en een zwak etnisch besef onder de Leewarders.


5.2.2 Vergelijking van de taalgroepen per taalvariëteit

Hierna zijn de beoordelingen van de taalvariëteiten door de taalgroepen vergele­ken per taalvariëteit. Daarbij is er van uitgegaan dat alle taalgroepen de drie variëteiten op gelijke wijze zouden beoordelen. Dat houdt in dat er per variëteit geen significante verschillen tussen de gemiddelde scores van de taalgroepen vast te stellen zouden zijn. Als hier niet aan wordt voldaan, is er sprake van een verstoring. Het blijkt dat het Nederlands (zie tab. 5.5) en het Leewarders (zie tab. 5.7) met respectievelijk zes en negen verstoringen veel minder van de consensus afwijken dan het Fries (zie tab. 5.6) met 22 verstoringen (van de mogelijke 30). De Nederlandse taalgroep beoordeelt het Nederlands slechts op een enkele eigenschap hoger dan de andere groepen, de Leewarders doen hetzelfde met toch nog achtmaal een hogere plaatsing van hun eigen variëteit vergeleken met de Nederlands- en de Friestaligen. Bij de beoordeling van het Fries zijn vijftien van deze verstoringen toe te schrijven aan de Friese taalgroep die hoger scoort dan beide andere taalgroepen. De veronderstelde gelijke beoordeling per variëteit wordt het meest verstoord door de Friestaligen.

5.2.3 Conclusies

Uit de combinatie van beide soorten vergelijkingen blijkt dat de plaatsing van het Nederlands en het Leewarders geen aanleiding geeft tot grote meningsverschil­len. De eenduidige uitkomsten met betrekking tot het Nederlands als hoge prestigevariëteit wijst op een grote vanzelfsprekendheid in de Leeuwarder gemeenschap, een eigenschap die als karakteristiek beschouwd kan worden. De taal van heel Nederland wordt niet als een specifieke etnische-groepstaal aangevoeld. De uitkomsten met betrekking tot het Leewarders zijn bijna even eenduidig; het Leewarders kan als laag-prestigieus gekenmerkt worden: een sociolect. De Leewarder taalgroep wijkt daarin bijna niet van de twee andere groepen af. De uitkomsten voor het Fries wijken daarentegen voor de Friese taalgroep behoorlijk af van die van de twee andere groepen. Het zijn vooral de eigenschappen op de solidariteitsdimensie die in het voordeel van de eigen groep gescoord worden. Tegelijk worden ook enkele eigenschappen op de prestigedi­mensie - ten opzichte van de dominante Nederlandse taalgroep - niet in het nadeel van de eigen groep beoordeeld. Het Fries wordt wel als een specifieke etnische-groepstaal gezien.

5.3 Houding tegenover Leewarders en (taalgedrags)houding tegenover het Fries

Uit gegevens van de Leewarder enquête en de participerende observatie komen aanwijzingen die de gevonden karakteristieken voor het Leewarders en het Fries bevestigen. Het Leewarders krijgt bijvoorbeeld als sociolect lage prestige-eigenschappen als plat, ruig, raar en stoer toegekend die het niet geschikt maken voor de overdracht aan de kinderen, maar juist wel voor het als tweede taal aanleren door jongens in de vriendengroep op de middelbare school. Niets wijst op een etnische beklemtoning van het Leewarders als groepstaal.

      Mede door de (veronderstelde) onverstaanbaarheid bestaat voor het Fries wel een beklemtoning van het groepskarakter: Fries is voor de Friestaligen. De (veronderstelde) onverstaanbaarheid ervan wordt als een afwijkend kenmerk ten opzichte van het Nederlands gezien. Verder wordt het Fries bij de adolescenten op de middelbare school met het platteland verbonden en daardoor als minder geschikt voor het gebruik in de vriendengroep van de stedelijke schoolgemeen­schap beschouwd. In het algemeen is de sociale waardering van het Fries wel veel hoger dan die van het Leewarders; het Fries wordt als taal bestempeld en het Leewarders als een (sociaal laag) dialect. Dit houdt onder andere in dat het Fries in principe geschikt is voor openbaar gebruik.

      Bij het Fries als etnische-groepstaal doet zich een specifiek verschijnsel voor wat betreft de houding tegenover aanpassend (convergent) of afwijkend (diver­gent) taalgedrag (de taalgedragshouding). De spraakaanpassingstheorie verklaart dit niet alleen uit de (mogelijke) onverstaanbaarheid voor de spreker van de dominante taal, maar ook uit het feit dat hiermee de Friese taalgroepsidentiteit beklemtoond wordt.

      De Leewarder respondenten laten zich er niet negatief over uit dat zij door een onbekende in het Fries of het Leewarders worden aangesproken (zie tab. 5.13). Deze aanspraken in een anonieme situatie wijken evenwel af van de verwachte Nederlandse taalkeuze. Dat er geen negatieve evaluatie wordt gerap­porteerd, kan zitten in de gevolgde onderzoeksmethode (een survey zou het geven van sociaal wenselijke antwoorden bevorderen). Ook kan de evaluatie positief beinvloed zijn, omdat bijna alle van-huis-uit Leewarderssprekers het Fries op z'n minst verstaan.

      In het veldwerk van de participerende observatie is wel enige malen gebleken dat negatief gereageerd werd op een aanspraak in het Fries, waarbij de verstaan­baarheid niet als belangrijkste reden werd genoemd. Achterliggende gedachte lijkt te zijn dat het Nederlands geacht wordt de algemene taal te zijn en het Fries een specifieke etnische-groepstaal.

5.4 Bespreking

Op verschillende wijzen is getracht de taalhouding en de taalgedragshouding vast te stellen. Het Leewarders met de eigenschappen ‘gemoedelijk’ en ‘grappig’ komt als ongeschikt voor de formele domeinen naar voren. Het Nederlands wordt vooral vanwege zijn hoge prestige gewaardeerd en als algemene taal - niet aan een taalgroep gebonden - gestereotypeerd. Het Fries wordt vooral gezien als een op zichzelf staande taal voor Friestaligen met een zeker prestige. Door zijn (veronderstelde) onverstaanbaarheid wordt het in zijn gebruik beperkt. De Friese taalgroep ontleent aan zijn taalachtergrond een positieve waarde (etniciteit).

6 Taalgedrag

6.1 De beheersing van het Nederlands bij de Leewarders

Een van de eerste voorwaarden voor het analyseren van taalgedrag en daarmee taalkeuze is het inzicht in de mogelijkheid tot keuze. Uit de Leewarder enquête bleek dat die keuze voor eenvijfde van de Leewarders bemoeilijkt wordt door de matige beheersing van het Nederlands. De geringe beheersing hangt gedeeltelijk samen met het lagere beroepsniveau van de respondent, terwijl zijn netwerk wellicht gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van veel Leewarderssprekers en door de dichtheid van zijn contacten. Ook het soort Leewarders dat door de respondent gesproken wordt, staat er wellicht mee in verband. Leewarders die in (bijna) alle settings aan hun eigen variëteit vasthouden, spreken doorgaans zuiver ofwel ‘plat’ Leewarders (zie tab. 6.2). De verklaring van het afwijken van de (mogelijke) Nederlandstalige identiteit van de aangesprokene(n) hoeft in zo'n geval niet te worden gezocht in de beklemtoning van het Leewarders als speci­fieke etnische-groepstaal.

6.2 Taalgedrag

6.2.0 Inleiding

Ook al zijn er een paar aanwijzingen dat het geschiktheids-principe van de functionele distributie van toepassing is op het Leewarder taalgedrag, ook het aanpassingsprincipe van de etnische distributie kan in veel gevallen een verkla­ring geven voor het wel of niet kiezen voor het Leewarders.

6.2.1 De vaste contacten

In de vaste contacten met familie, vrienden, kennissen en buren kan de taalach­tergrond van de aangesprokene bekend worden verondersteld. Uit de Leewarder enquête is op te maken dat in deze contacten in grote meerderheid (75% of meer) de eigen variëteit gesproken wordt. Het is echter maar een minderheid (40%) die de kinderen in het Leewarders opvoedt (zie tab. 6.3). In het domein werk wordt eveneens in meerderheid (55-66%) Leewarders gesproken. De hiërarchie in de werksituatie lijkt op zichzelf geen duidelijke invloed op het taalgedrag te hebben (zie tab. 6.4). Wel blijkt uit de participerende observatie op de werkvloer van een fabriek, twee middelbare scholen en een dienstverlenend kantoor, dat het soort werksituatie van invloed is. Hoe strakker de hiërarchie, hoe minder Leewarders er te verwachten is tegen de hogergeplaatsten. De invloed van de hiërarchie kan echter niet goed geïsoleerd worden, omdat de hogere posities meestal door Nederlands- en Friestaligen ingenomen worden en de Leewarders hun taalge­bruik bij de taalachtergrond van de ander aanpassen.

6.2.2 De vriendengroep op de middelbare school

Een speciaal domein vormt de vriendengroep op de middelbare school. Tijdens de participerende observatie is geconstateerd dat bij het lbo in de brugklas bij jongens èn bij meisjes al sprake is van zeer frequent en zuiver gesproken Leewarders, ook in de lessituatie. Na het dertiende jaar is bij de schooltypen hoger dan lbo een toename in het gebruik van het Leewarders bij de jongens waar te nemen (zie schema 6.2). Langs de lijn mavo-havo-atheneum nam de frequentie in gebruik en de zuiverheid van het stadsdialect af (zie schema 6.3).

De geleidelijke afname van sociolectische varianten lijkt goed te beschrijven volgens het principe van de probabiliteit in het kader van de variabele regel van Labov.

6.2.3 De losse contacten

Het taalgedrag buiten de vaste contacten in de informele domeinen is voor een gedeelte met de taalkeuze in de formelere domeinen te vergelijken, zo blijkt uit de Leewarder enquête. Ook met personen buiten de intieme kring kan door de vrij hoge frequentie van de contacten een bekendheid met de taalachtergrond/-vermogens zijn ontstaan. Contacten met het vaste personeel van de “eigen” winkel en andersom met vaste klanten kunnen voor een meerderheid van de Leewarders in het eigen Stads zijn (zie tab. 6.5-6.7). Er bestaat voor dit domein zeker geen ongeschiktheid voor het Leewarders.

      Als evenwel de contacten tussen Leewarders en functionarissen anoniemer worden (buschauffeur, hema-personeel, bankpersoneel, enz.), wordt een afname van de keuze voor het stadsdialect gerapporteerd (zie tab. 6.9). Een onbekende op straat wordt slechts door eenvijfde van de Leewarder respondenten - waarvan aangenomen wordt dat ze veel moeite met het spreken van Nederlands hebben - in het Leewarders aangesproken (zie tab. 6.8). Het lage aandeel Leewarders wordt bevestigd door de observatie van contacten van klanten bij de bakker (warme bakker en supermarkt, zie tab. 6.10), buschauffeur en personeel van een groot­schalig dienstverlenend kantoor (receptie en balie, zie tab. 6.12). Deze onder de gehele Leeuwarder bevolking geobserveerde (niet in de Leewarder enquête gerapporteerde) taalkeuzes tonen de grote overmacht (±80-95%) van het Nederlands aan. De aandelen Fries en Leewarders zijn klein en onderling weinig verschillend. Het aandeel Fries kan slechts in een situatie toenemen waar een zekere bekendheid met de Friestaligheid van het personeel is ontstaan. Het aandeel Leewarders lijkt meer af te hangen van het aandeel sprekers van het Leewarders dat per woonwijk verschilt en minder van de taalachtergrond van de aangesproken functionaris.

6.3 De principes achter het taalgedrag

6.3.0 Inleiding

Uit de gerapporteerde en geobserveerde taalkeuzes zijn geen al te duidelijke tegenstellingen in het principe achter de taalkeuze af te leiden; de (on)geschikt­heid van het Fries en het Leewarders voor anonieme settings (formelere domei­nen) kan niet gemakkelijk uit het feitelijke taalgedrag geisoleerd worden. Voor de Leewarders lijkt overigens het geschiktheidscriterium wel van groot belang te zijn. Voor de Friestaligen zou aanpassing bij de taalachtergrond meer voor de hand liggen.

6.3.1 Fries taalgedrag in kleine groepen [en]

6.3.2Leewarder taalgedrag in kleine groepen

Uit het veldwerk van de participerende observatie kunnen voor het Fries in kleine groepen duidelijke voorbeelden van code-switching worden opgetekend. Die laten zich verklaren uit het principe van de aanpassing in taalgedrag bij de taalgroepsidentiteit van de aangesprokene. In dit onderzoek ontbreken dergelijke voorbeelden voor het Leewarders.

      De Leewarder respondenten van de Leewarder enquête geven wel aan dat de aanspraak in het Fries (voor de Friessprekende Leewarders) of het Leewarders voor de meesten aanleiding is ook in die variëteit te reageren (zie tab. 6.13). Zij rapporteren dat het niet aanspreken in het Leewarders van personen gedeeltelijk samenhangt met het niet terug verwachten van Leewarders (zie tab. 6.15). Uit reacties en taalgedrag is evenwel ook af te leiden, dat de mindere geschiktheid voor het gebruik buiten de bekendenkring daarbij een grote rol kan spelen.

6.3.3 Leewarder en Fries taalgedrag in groepen met een groter aantal deelne­mers

Uit de participerende observatie in grotere groepen is gebleken dat het Fries zich op vergaderingen met een officiëler karakter (o.a raadscommissie- en gemeen­teraadsvergaderingen) wel manifesteerde en het Leewarders niet. Volgens de rapportage van de respondenten bij de Leewarder enquête is alleen op zeer informele samenkomsten met bekenden (o.a. bingo en sportvereniging) het Leewarders wel in gebruik. Zowel het principe achter de etnische als zeer zeker ook het principe achter de functionele distributie speelde een rol bij de taalkeuze voor of tegen het Leewarders.

6.4 Bespreking

Het is moeilijk uit de observatie van het taalverkeer van alledag verschillen in taalkeuzeprincipe tussen het Leewarders en het Fries te ontdekken. De keuze voor het Leewarders lijkt net als bij het Fries vaak ingegeven door aanpassing bij de (veronderstelde) taalgroepsidentiteit. Voor de Leewarders waren er echter ook voorbeelden te vinden dat het Leewarders vanwege ongeschiktheid - op grond van met het Leewarders geassocieerde eigenschappen - voor formeel gebruik werd nagelaten. Het Fries daarentegen werd soms juist wel in een formeel domein van een openbare vergadering gebruikt.

 

             IV.  AFSLUITING

 

7  Synthese en evaluatie

7.0 Vooraf

Voor een verdere verduidelijking van de verbanden tussen de sociale positie, de taalhouding en het taalgedrag zijn de uitkomsten over de taalsituatie in Leeuwar­den samengevat in een synthese. Hierin wordt met het oog op de interpretatie van het taalgedrag het taalkeuzeprincipe achter de etnische distributie (aanpassing bij taalgroepsidentiteit van de aangesproken(n)) uitgezet tegen het taalkeuzeprincipe achter de functionele distributie (geschiktheid van de taalvariëteit in een bepaald domein). De leidende vraag bij de interpretatie is hoe de taalgroepsidentiteit van de aangesproken(n) en de geschiktheid van de taalvariëteit zich tot elkaar verhouden.

7.1 Synthese

7.1.1 Door de eeuwen heen

Vóór de stadtaalvorming zal het Fries in Leeuwarden de meest gebruikte om­gangstaal zijn geweest en, op een beperkt aantal vreemdelingen na, zullen de Friestaligen de enige taalgroep binnen de Leeuwarder taalgemeenschap zijn geweest. Het communicatieve bereik van het Fries speelde voor de omgangstaal vermoedelijk een beperkte rol gezien het vasthouden van het Fries als spreektaal en als schrijftaal in het bestuur van veel Friese steden.

      Deze situatie veranderde toen een omvangrijkere niet-Friestalige groep zich in het tweede kwart van de zestiende eeuw blijvend in de stadsgemeenschap vestigde. De reeds aanwezige acceptatie door de Friezen van de beschaving uit Brabant en Holland als hoger had de bovenlaag van de gemeenschap rijp ge­maakt voor een permanente (taal)cultuurovergang. De niet-Friese taalgroeps­identiteit ging vermoedelijk steeds meer een rol spelen bij de aanspraak van een inwoner in Leeuwarden: de stedelijke gemeenschap ontfrieste geleidelijk.

      De stadtaalvorming bewerkstelligde een tegenstelling tussen de stadsvariëteit en de taal van het platteland en een verbanning van het Fries naar de lagere kringen van de stad. Er lijkt na verloop van tijd een acceptatie van een functio­nele distributie tussen het Stads (het eigen soort Nederlands) en het Boers, het Fries, te zijn ontstaan.

      Sinds de tweede helft van de achttiende eeuw lijkt de sociale opdeling tussen het hogere Nederlands en het sociaal relatief lagere taalgebruik in een zodanig stadium te zijn gekomen, dat een eigen naam aan het laatstgenoemde soort taalgebruik werd toegekend (conceptualisering). Daarmee werden tegelijkertijd de contouren voor de derde - na de Friese en de Nederlandse - taalgroep in Leeuwarden getrokken. In het Stads bestond er, aan de Nederlandse kant van het taalkundig continuüm, waarschijnlijk een soort ‘bufferzone’ tussen (regionaal) Nederlands en de variëteit die door zijn taalkundige elementen als (‘plat’) Leewarders zou moeten worden beschouwd. Er kwamen nog veel Leewarder elementen voor in het taalgebruik van de hogere Leewarders. Door een toene­mende functionele distributie kreeg het Nederlands meer invloed in de formele domeinen. De geschiktheid voor het gebruik van het Leewarders in deze domei­nen nam af.

      Voor het Fries als “boerentaal” was de identiteit door de eeuwen heen veel duidelijker dan voor het Leewarders. In de twintigste eeuw werden de bestaande taalverhoudingen taalpolitiek aangevochten door het streven naar een plaatsje voor het Fries in de formele domeinen. Voor de Tweede Wereldoorlog bleef het Fries, uitgezonderd in taalpolitieke instituten als Provinciale Bibliotheek en Fryske Akademy, “onzichtbaar” in de stad, ondanks het grote aandeel Friestali­gen in Leeuwarden. De ongeschiktheid van het “Boerenfries” voor stedelijk gebruik was eerst nog van grote invloed. De sociale opgang manifesteerde zich pas goed na de Tweede Wereldoorlog. De houding tegenover het Fries werd positiever en de Friezen werden zich meer bewust van de eigen taalgroepsidenti­teit. De etniciteit van de Friese taalgroep uitte zich ook in het taalgedrag van zijn leden. De aanwezigheid van het Fries in de stad werd op meerdere sociale niveaus duidelijker zichtbaar.                                                                                                   

      Parallel met algemene tendenzen in West-Europa werd het aandeel Neder­lands na het aanhalen van de taalnormen teruggebracht tot een kleine, maar sociaal hogere, groep. De sociale stratificatie in taal zorgde er ook in Leeuwar­den voor, dat de staatsnationale taal (het Nederlands) en het specifieke stadsdia­lect (het Leewarders) met hun taalgroepsidentiteiten duidelijker werden afgeba­kend, terwijl tegelijkertijd ook het geschiktheidscriterium een grotere invloed kreeg op het taalgedrag. Beide taalkeuzeprincipes - aanpassing bij de taal­groepsidentiteit en geschiktheid van de variëteit - werkten er aan mee dat het Nederlands aan de bovenkant en het Leewarders aan de onderkant van de maatschappij belandde.

      De conclusie uit deze tocht door de geschiedenis is, dat de verhouding tussen taalgroepsidentiteit en geschiktheid van de taalvariëteit niet altijd dezelfde is geweest. De sociale stratificatie in taal is steeds toegenomen en daarmee het gewicht van de geschiktheid voor de taalkeuze. Tegelijk heeft het geschiktheids­criterium er voor gezorgd dat er uiteindelijk een scheiding in twee taalgroeps­identiteiten kwam: een Nederlandse en een Leewarder. Wat het Fries betreft, was de taalachtergrond in het begin van de twintigste eeuw een belangrijk aspect bij het waarderen van de groepsidentiteit van de Friese taalgroep (etniciteit).

      Het gewicht van de drie aanwezige taalgroepsidentiteiten was en is verschil­lend. Bij de identiteit van de Nederlandse groep gaat het om een (pretentie van) algemene Nederlandse identiteit. Die van de Friese groep is door de eeuwen heen scherp afgegrensd geweest van de Nederlandse, maar kreeg pas in de twintigste eeuw steun door een etnische beweging die het prestige van het Fries enigermate verhoogde. De taalgroepsidentiteit was voor de Leewarders amper een reden om zich te profileren. Er was geen etnisch besef dat de neergang in prestige van het Leewarders keerde.

      De verhoging van het prestige van het Fries leidde tot geschiktheid en de norm van de aanpassing bij de Friese taalgroepsidentiteit tot gebruik van het Fries ook in de hogere domeinen. De grotere geschiktheid had weer een Frieser taalgedrag in het algemeen tot gevolg, en dat maakte op zijn beurt de taalgroeps­identiteit van de Friestaligen in verschillende settings weer duidelijker.

      De wisselwerking tussen de factor taalgroepsidentiteit en de factor geschikt­heid van de taalvariëteit door de eeuwen heen leidde tot de huidige taalverhou­dingen.


7.1.2 De jaren tachtig

7.1.2.1De maatschappelijke context

In de huidige maatschappelijke context heeft het Nederlands aan invloed gewon­nen. Dat komt niet alleen door zijn prestige (een aanmerkelijk gedeelte van de Leewarders voedt de kinderen in de dominante taal op vanwege de veronderstel­de grotere sociale mogelijkheden van het Nederlands, bij de Friestaligen zal dat waarschijnlijk ook meespelen), maar ook door de opvallende aanwezigheid van de Nederlandse taalgroepsidentiteit in de stad.

      Op het platteland, dat homogener Friestalig is, blijft het Fries bij de taalover­dracht vrij stabiel. De negatieve uitwerking van de aanwezigheid van de Neder­landse taalgroepsidentiteit en het sociale prestige van het Nederlands op het aandeel van de twee andere variëteiten in de stadsbevolking wordt voor het Fries gecompenseerd door migratie van het platteland. Hierdoor neemt het Fries kwantitatief de tweede plaats in en het Leewarders de derde. Deze rangorde geldt ook voor de sociale positie. Bij de identificatie met de eigen groep is er in eerste instantie een tweedeling tussen aan de ene kant Nederlands- en Friestaligen, die in meerderheid kiezen voor de bij de eigen taalachtergrond horende naam, en aan de andere kant de Leewarders, die dat in minderheid doen.

      In een zogenaamd profiel (op basis van groepsidentificatie, geboorteplaats of -streek/vroegere woonplaats en woonvoorkeur) wordt getracht de groepen te typeren met het oog op hun identiteit (en etniciteit) en de variëteiten op hun prestige (en dus geschiktheid). Voor de Nederlandse groep gaat het om een niet-lokaal en niet-regionaal, maar algemeen Nederlands profiel, voor de Friese groep om een specifiek Fries en voor de Leewarders om een neutraal regionaal profiel. Het algemeen Nederlandse profiel verwijst naar staatsnationale identiteit en prestige, het spesifiek Friese profiel naar etniciteit en het neutraal regionale Leewarder profiel naar etniciteit noch prestige (maar naar een geografische identiteit).

7.1.2.2 De taalhouding en het taalgedrag

De variëteiten functioneren vandaag de dag in de taalgemeenschap van Leeu­warden met een ongelijke sociale spreiding van het Leewarders, het Nederlands en het Fries. De vraag is hoe het functioneren van de taalvariëteiten kan worden beschreven volgens taalgroepsidentiteit (etnische distributie) en geschiktheid van de taalvariëteit (functionele distributie). Er is hierbij vooral gekeken naar de niet-dominante variëteiten.

7.1.2.2.1    Het Leewarders

Het Leewarders wordt op de prestige-eigenschappen het laagst gewaardeerd door alle drie taalgroepen. De Leewarders spreken zich met hun score bijna niet - alleen maar op een paar typische sociolecteigenschappen - in het voordeel van de eigen variëteit uit op de solidariteitseigenschappen. Dit scorepatroon wijst op het bijna geheel ontbreken van etniciteit en prestige.

      Ook uit het veldwerk van de participerende observatie blijkt dat het Leewar­ders met zijn eigenschappen grappig en vertrouwd naar de intieme domeinen is teruggedrongen. Eén uiting daarvan was het gebruik onder vooral jongens op de middelbare school. Uit verschillende gerapporteerde en waargenomen voorbeel­den van taalgedrag blijkt de ongeschiktheid van het Leewarders voor officiële domeinen.

      Het Leewarders wordt ook beïnvloed door het aanpassingsprincipe (op grond van kennis of verwachting van de taalgroepsidentiteit van de aangesprokene) wat leidt tot een etnisch taalgedragspatroon. Dit betekent - in verband met de sociale spreiding - voor het Leewarders gebruik op de lagere maatschappelijke niveaus.

      Afwijkingen van beide taalgedragspatronen (functionele en etnische distribu­tie) door de Leewarders zijn toe te schrijven aan een slechte beheersing van het Nederlands.

7.1.2.2.2 Het Fries

De eerder afgeleide rangorde van de variëteiten wordt door alle drie groepen op prestige-eigenschappen grotendeels bevestigd. Wel blijkt dat het Fries op enkele prestige-eigenschappen maar vooral op solidariteitseigenschappen anders wordt beoordeeld door de Friestaligen. Die scoren op de solidariteitseigenschappen bijna volledig in het voordeel van het Fries. Deze uitkomsten wijzen op een specifiek Friese etniciteit en een (bescheiden) prestige.

      Het Fries wordt in de eerste plaats als een van het Nederlands afwijkende taal beschouwd. De mogelijke onverstaanbaarheid voor niet-Friestaligen speelt bij de beoordeling een negatieve rol. Dit maakt het Fries tot een etnische-groepstaal voor Friestaligen onderelkaar. Het wordt vaak onfatsoenlijk geacht Fries te spreken tegen iemand die het niet terugspreekt.

      Het Fries spreken tegen niet-Friestaligen wordt overigens niet alleen op mogelijke onverstaanbaarheid, maar vooral op het nalaten van aanpassing in taalgedrag bij de taalgroepsidentiteit van de aangesprokenen beoordeeld.

      Door het overheersende etnische-groepskarakter bestaat er aan de ene kant voor het Fries in bepaalde omstandigheden een grotere barrière voor het aanle­ren, zoals speciaal bij middelbare scholieren blijkt. Aan de andere kant werkt het specifieke groepskarakter de taalkeuze volgens de afstemming op de taalgroeps­identiteit van de aangesprokenen in de hand, in zowel intieme als meer formele domeinen. Het aanpassingsprincipe maakt gebruik tot op relatief hogere niveaus mogelijk.

      Omdat het Fries als taal een eigen positie krijgt toegekend, wordt het buiten de tegenstelling op de prestigedimensie Nederlands (standaardtaal) - Leewarders (dialect) gehouden. Prestige speelt bij het Fries een kleinere rol. Het bezit daardoor de geschiktheid voor gebruik in hogere domeinen die het Leewarders mist.

      Deze verworven geschiktheid kan bovendien leiden tot het gebruik van het Fries in officiële bijeenkomsten waar ook niet-Friestaligen bij aanwezig zijn. Het beklemtonen van de eigen positief ervaren taalgroepsidentiteit stimuleert deze vorm van taalgedrag. Dit voegt nog eens een zeker prestige aan het Fries toe.

7.1.2.2.3 Het Nederlands

Het Nederlands scoort hoog op eigenschappen van de prestige-dimensie. Dit past bij het geschetste profiel van de staatsnationale identiteit en het daarmee samenhangende prestige. Het hoge aanzien van het Nederlands drukt het Lee­warders helemaal terug naar de informele domeinen. Ook de grote uitval in de taaloverdracht van de Leewarder en de Friese taalgroep staat in verband met het prestige van het Nederlands.

7.1.3 Conclusie

De wisselwerking tussen de factor taalgroepsidentiteit en de factor geschiktheid van de taalvariëteit heeft door de eeuwen heen een negatieve uitwerking gehad voor het Leewarders.

      Dit onderzoek heeft een (voorlopig) antwoord gegeven op de vraag: wie spreekt Leewarders tegen wie, waar en waarom? Uitgaande van de intergroep-meertaligheid is er ook voor de Leewarder (Wie?) een aanpassing bij de taal­groepsidentiteit (Waarom?) van de aangesproken persoon (tegen Wie?) in prin­cipe in alle settings (Waar?); het Leewarders wordt in het algemeen tegen leden van de Leewarder taalgroep gesproken. Als een vlotte taalbeheersing het toestaat wordt er tegen anderen Nederlands (tegen Nederlandstaligen) of, door de helft van hen, Fries (tegen Friestaligen) gesproken. De plaats waar Leewarders gesproken wordt, zal in de praktijk meestal in informele domeinen zijn, want in formelere domeinen zal het meestal gaan om contacten met leden van de andere groepen.

      De aan het Leewarders toegekende ongeschiktheid voor officiële domeinen en het ontbreken van etniciteit bij de Leewarder taalgroep zullen het gebruik van het dialect in die domeinen verder afremmen.

7.2 Evaluatie

De eerste vraag bij de evaluatie van dit exploratief onderzoek is of de gestelde problemen betreffende de sociale positie en het functioneren van het Leewarders in verhouding tot het Nederlands en het Fries in Leeuwarden opgelost zijn. De tweede belangrijke vraag hierbij is hoe de gekozen invalshoeken hebben voldaan voor het bereiken van de doelstelling, namelijk:

a) taalkeuzeprincipe van aanpassing bij de taalgroepsidentiteit van de aangespro­kene(n) en

b) geschiktheidscriterium voor een domein van de gekozen variëteit.

      Met de vijf verschillende onderzoeksmethoden (literatuuronderzoek, inter­view, survey, beöordelingslijst met semantische differentialen en participerende observatie) konden veel gegevens worden verzameld. De onderlinge versterking en/of aanvulling van verschillende data per thema kon de betrouwbaarheid verhogen.

      De validiteit van de onderzoeksuitkomsten hangt niet alleen af van de direkte observatie van het taalgedrag zelf, maar ook van het op direkte en indirekte wijze achterhalen van de motivatie voor het taalgedrag. In sommige gevallen bleek echter slechts met waarschijnlijkheid te kunnen worden geconcludeerd welk taalkeuzeprincipe aan het vertoonde taalgedrag van Leewarders ten grondslag lag.

      De conclusie is daarom dat de begrippen taalgroepsidentiteit en geschiktheid van de taalvariëteit maar tot op zekere hoogte bruikbaar zijn voor de beschrijving van het taalgedrag. Zowel de etnische distributie als de functionele distributie kan het taalgedragspatroon voor een deel beschrijven. De gedeeltelijke overlap­ping van beide patronen zorgt er voor dat het niet mogelijk is om met elk patroon op zich een exclusieve beschrijving voor alle gevallen te geven. De waarde van het onderzoek op grond van de begrippen die verbonden zijn met de twee taalkeuzeprincipes zit vooral in de heuristiek: de analyse volgens veronder­stelde achterliggende principes bracht de moeilijkheden bij het interpreteren van taalgedrag aan het licht.

      Twee doelstellingen van dit onderzoek, de beschrijving van de sociale positie en het functioneren van het Leewarders (het belangrijkste doel) en het verkrijgen van kennis over het Fries in Friesland in het algemeen (een bijdoel), zijn gezien het gedeeltelijk tekortschieten van het benutte theoretische model niet volledig gehaald. Toch hebben de begrippen verhelderend gewerkt. Wat de kennis over de stadtaal in Nederland betreft (het andere bijdoel), bleek het dat de beschrijving van het Leewarders in een algemeen kader geplaatst kon worden.

      Met dit onderzoek van de stedelijke meertalige situatie in Leeuwarden is voorzien in een leemte van de taalsociologische kennis in Friesland. Wel blijven er vragen open staan wat de Leeuwarder situatie zelf betreft, bijvoorbeeld welke de sociolinguïstische verschillen tussen verschillende soorten Leewarders zijn, alsook de taalsociologische verschillen van Leeuwarden met andere meertalige situaties in de Friese steden en het Bildt. Mogelijk dat de methode van de sociaal-netwerkanalyse hier inzicht kan bieden.

      Een samenhangende algemene theorie over verhoudingen tussen taalgroepen, taalhouding en taalgedrag staat nog in de kinderschoenen. Uitkomsten uit taal­sociologisch onderzoek zijn vaak situatiegebonden en/of te beperkt qua thema­tiek. Tot nu toe ontwikkelde begrippen zullen steeds op hun bruikbaarheid voor de te onderzoeken taalsituatie bekeken moeten worden. Een vergelijking van lokale uitkomsten met het uitgekozen theorisch model kan weer leiden tot een verdergaande uitwerking, waarop hypothesen kunnen worden gebaseerd. Het taalsociologisch onderzoek van de meertalige gemeenschap is nog maar net begonnen. Ook de Leeuwarder taalgemeenschap is als bron voor wetenschappe­lijke en populaire kennis nog geenszins uitgeput.

Bijlagen (Taheakken)

Taheakke A

Methodologische verantwoording

In bijlage A worden de methoden en technieken verantwoord die zijn gebruikt bij het onderzoek. De volledige verantwoording is te vinden op de Fryske Akademy in Leeuwarden (archief ‘Meartaligens yn de Stêd’).

      Ook wordt zijdelings ingegaan op het gebruik van verschillende onderzoeks­methoden (‘triangulatie’). Het voordeel van een dergelijke aanpak is, dat de uitkomsten van alle verschillende methoden elkaar kunnen aanvullen en verster­ken, omdat wij door vergelijking van de ene soort gegevens met de andere die uitkomsten beter kunnen interpreteren.

      Verder worden beschreven en verantwoord: de vraaggesprekken met sleutel­informanten, de vragenlijsten van de grote en Leewarder enquête, de beoorde­lingslijst met semantische differentialen, de participerende observatie en de verslaggeving.

In de Taheakken onder B worden weergegeven:

B1Aankondigingsbrief voor de ‘grote enquête’

B2Vragenlijst van de ‘grote enquête’

B3Beoordelingslijst met semantische differentialen

B4Vragenlijst van de ‘Leewarder enquête’

Taheakke C tenslotte bevat:

Lijst met dialectische varianten binnen het Leewarders

 


Straattaal is misschien de redding voor het Hollands dialect in de Friese hoofdstad

 

"Lekker taaltsje" in Fryslân: het Stads

 

Straattaal is voor het Fries een onbekend begrip, ook al zullen vooral Groningers daar anders overdenken. In Fryslân is straattaal iets dat met de (grote) stad wordt verbonden en dat wordt het Fries niet. Om iets te vinden dat in de buurt van "straattaal" komt, moet er daarom naar het dialect in de Friese steden worden gewezen en dat is niet een Fries dialect. Het Leeuwarders, Snekers, Harlingers, Franekers, Bolswarders, Stavorens komen allemaal van het Hollands, zoals dat sinds de zestiende eeuw in de grotere steden van Fryslân wordt gesproken. Al deze van oorsprong Hollandse dialecten lijken daarom ook sterk op elkaar. Een vergelijkende studie heeft dat jongsleden nog eens aangetoond. Deze groep stadsdialecten wordt in het Fries aangeduid met 'Stedsk' ofwel, in het Nederlands, 'Stads'.

 

 

Het Stads in Fryslân heeft een geschiedenis achter de rug waarin het nog geen "straattaal" was. Tot aan zo'n 1800 werd het Stads door alle lagen van de bevolking gesproken. De spreektaal van Nederland heeft zich namelijk pas daarna tot een Algemeen Beschaafd Nederlands ontwikkeld. Ook sprekers uit de hogere standen in de Friese steden spraken sinds toen steeds consequenter een spreektaal die op de algemene Nederlandse schrijftaal leek. Er ontstond toen een officiële spreektaal en een stadsdialect. Woorden als 'speulen', 'sundag', 'súden', 'blive' en 'dou' verdwenen uit het Nederlands zoals dat in Friesland werd gesproken. Het Leeuwarders en de andere stadsdiacten behielden deze wel.

            Maar er was nog steeds geen sprake van een straattaal. Pas in de twintiger en dertiger jaren van de huidige eeuw kreeg het dialect door het maatschappelijk afzakken een slechte naam. De hogere en de middenklasse gingen bewust afstand nemen van het dialect, zodat bijna alleen de laagste klasse het nog van huis uit sprak; vanaf de periode tussen de wereldoorlogen kan het (plattere) Leeuwarders als straattaal worden omschreven.        Tegelijk bleef er ook nog een tijdje een variant bestaan die tussen het Nederlands en het Leewarders inzat. Van de toenmalige Commissaris der Koningin baron Van Harinxma thoe Slooten is de anecdote bekend dat hij voor de oorlog nog het Fries spreken in de Provinciale Staten verbood met de woorden: "We hewwe hier altyd Nederlans sproken, en daar gaan we gewoan met deur." Van hem werd gezegd dat hij beschaafd Stads sprak.

            Na de oorlog is het echter helemaal gedaan met het hogere aanzien van de verschillende stadsdialecten. Voor zowel Fries- als Nederlandstaligen wordt de variant van de stad als ruw en hard ervaren. Ouders gaan hun kinderen verbieden plat te spreken. In de periode van de opkomende puberteit bestaat er voor vooral jongens geen betere aansporing dan het juist wel te doen.

 

----------------------------------------------------------

"Het is een taal die vlot overkomt, stoer aandoet en dus lekker bekt"

----------------------------------------------------------

 

"Lekker taaltsje, ju", vertelde een jongen uit havo-4 mij toen ik op een grote scholengemeenschap veldwerk deed naar het Leeuwarders. Daar mee gaf hij aan wat heel veel jongens bij het Stads voelen. Het is een taal die vlot overkomt, stoer aandoet en dus lekker bekt. Het wordt door hen om deze reden ook mooi gevonden. De meisjes denken daar in het algemeen even wat anders over. Ze noemen het raar, grof, hard en stoer. "Leeuwarders is een taal voor asociale jongetjes", daagde een meisje uit mavo-4 de achter haar zittende jongens uit. Haar buurvrouw vulde aan dat ze het wel sprak, maar zichzelf dan verbeterde. Wat ik tijdens mijn onderzoek daar hoorde, kwam inderdaad in grote meerderheid niet uit de mond van de dames. Bij de gymnatieklessen van jongens was het Leeuwardres vaak niet van de lucht: "Must skiete, ju", "kenstou der oek bij" en "Ik staan op doël; siest dat nyt." om maar een kleine bloemlezing te geven. Maar af en toe gebruiken de meisjes het stadsdialect. In een klas van havo-4 werden twee meisjes door de lerares aangesproken op het herhaald "vergeten" van de gymkleren. Volgens haar werd het tijd contact met hun ouders op te nemen. Dat de leerlingen haar "dreigement" niet echt seriueus namen kwam onder meer uit hun taalkeuze naar voren: " Skryf maar un bryf naar hús."

            Ook buiten de school heeft het Leeuwarders een lading van tegencultuur. Op een van de muren achter het cultureel centrum Theater Romein staat zelfs op de muur geschilderd 'Kultuur ken dat oek in de frituur?' Daarvoor was het al eens ingezet tegen de kwastevangelist die met grote letters op muren verkondigde 'RAMPEN KOMEN!' Een Leeuwarder geloofde dat niet helemaal en gaf als reactie 'A kent skele, ju!'. Een geruststellende uitdrukking in Fryslân is sinds die tijd: Kent skele ju; as ut haar maar goëd sit.

            In 1867 dacht de Leeuwarder taalkundige Johan Winkler dat het Leeuwarder dialect het jaar 2000 lang niet zou halen. Inmiddels is duidelijk geworden dat het Leewarders en ook andere stadsdialecten een taai leven leiden. Ook al hebben deze varianten geen hoog aanzien, toch spreekt zo'n vijfdedeel van de stadsbevolking het stadsdialect als moedertaal. Op de middelbare school wordt het vooral door de stoere kunne ook nog eens vlijtig bijgeleerd. Het is daarom niet te gewaagd te voorspellen dat het Stads niet alleen het jaar 2000 haalt, maar dat het "lekkere taaltsje" ook in het volgende millennium nog regelmatig gebezigd zal worden.

 

Reitze J. Jonkman


'LEEWARDERS'

 

Lexicale veranderingen binnen het Hollandse stadsdialect van de Friese hoofdstad

 

Reitze J. Jonkman

 

 

Inleiding

 

In Ljouwert (Leeuwarden) is een van de opmerkelijkste (stads)taalsituaties van de Nederlanden te vinden. Net als in Brussel (Bruxelles) treft men er een gemeenschap aan waar dagelijks twee officiële talen en een stadsdialect worden gebezigd. In de hoofdstad van Fryslân wordt - naast het Fries en het Nederlands - ook een eigen stadsdialect gebruikt: het 'Leewarders'. Het opmerkelijkste is voor een buitenstaander misschien dat dit stadsdialect Hollands van oorsprong is. Bijna vier eeuwen lang is het de meest gesproken taal van de Friese hoofdstad geweest, maar onderzoeken in de laatste decennia tonen echter aan dat dit dialect nu snel aan het afnemen is. In de hiervolgende maatschappelijke geschiedenis van de Leeuwarder stadstaal worden de geboorte, de groei en bloei, maar ook het verval geschetst. De maatschappelijk neergang heeft sinds de tweede helft van de negentiende eeuw ook tot veranderingen in de woordenschat geleid. Bij de afsluiting wordt stilgestaan bij het maatschappelijke proces dat het aandeel dialectsprekers op de gehele stadsbevolking heeft teruggedrongen.

 

 

1. De maatschappelijke geschiedenis van de stadstaal van Leeuwarden

 

Tot in het begin van de zestiende eeuw was Leeuwarden een Friestalige stad. Vrij snel daarna veranderde de bevolkingssamenstelling van de Friese hoofdstad ingrijpend.  De hogere lagen van dit kleine stadje (zo'n 4000 inwoners) ontfriesten door de bovenregionale handel, het bestuur van niet-Friezen en het kloosterleven. Brabanders, Hollanders en immigranten van Overijsselse en Gelderse herkomst namen belangrijke posities in deze opbloeiende handelsplaats in. Het begin van deze ontfriesing vond in het tweede kwart van de zestiende eeuw plaats.

            Verschillende teksten uit de tweede helft van de zestiende eeuw geven aan dat een niet-Friese stadstaal zich toen al in Leeuwarden gevestigd had en het Fries buiten de stad gebannen. In een van deze teksten maakte De Zwitser Conradus Gesnerus met betrekking tot de stadstaal een onderscheid in een Brabantse en een Hollandse omgangstaal. Aangenomen zou kunnen worden dat de Brabantse omgangstaal met de maatschappelijk hogere bestuurders werd verbonden en de Hollandse met de handelslui. In een stukje zestiende-eeuwse tekst, afkomstig uit een Leeuwarder klooster, worden woorden gebruikt die we in het hedendaagse Leewarders nog terugvinden, zoals "hij het" voor 'hij heeft' en "hús" voor 'huis'. Ook ontbreekt in de tekst het ge-voorvoegsel in het voltooid deelwoord "gheven" en "haeld". Ook veel andere woorden in de Leeuwarder stadstaal met <eu>, <u>, <ú> en <ei> komen overeen met woorden uit het Hollands. Het is aannemelijk dat vanaf de zestiende eeuw de contacten met Amsterdam en andere Hollandse steden van de gebieden buiten Friesland het meest frequent waren.

            Het Leewarders zoals we dat nu kennen, kan vanwege zijn historische afkomst als een Hollands dialect worden omschreven. Natuurlijk heeft de Friese uitspraak zijn sporen nagelaten in de geïmporteerde Hollandse spreektaal toen deze vaste grond onder voeten kreeg in Leeuwarden. Toch zal de beïnvloeding van dit Hollands niet zo groot zijn geweest dat het tot een nieuwe taal, een mengtaal, heeft geleid. De invloed van de Friese woordenschat is beperkt gebleven. Een voorbeeld is de Friese aanspreeksvorm in het meervoud 'jimme' (jullie/U), maar de aanspreekvorm enkelvoud 'dou' (jij) lijkt eerder van het algemeen Hollandse 'du' af te stammen. Er is in ieder geval geen reden van een specifieke mengtaal (een samenvloeiing van de twee samenstel­lende delen Hollands en Fries) te spreken. Deze aanname is gebaseerd op de idee dat het aanleren van de verwante Hollands woordenschat voor de Friezen geen al te grote moeilijkheden moet hebben opgeleverd.

            De overgenomen spreektaal, die zich ook in andere Friese steden vestigde, werd dus nog steeds als Nederlands beschouwd. De stadstaal in Friesland werd rond 1700 door de Fries Hilarides als een 'byzondere' variëteit van de algemenere taal van de hele Nederlanden aangeduid. Hij maakte wel een onderverdeling in "gemeen Neerduits" en "Stadfries". Het element 'Fries' werd hier geografisch geduid: stadstaal in Friesland. Deze naam stond in tegenstelling met "Landfries", het eigenlijke Fries dat door zijn buitensteedse verbanning van lieverlee tot landtaal en daarmee tot boerentaal werd. Later dook ook de naam "Boerenfries" op.

            De spreektaal van de hele Nederlanden had zich in de zeventiende en achttiende eeuw nog niet tot eenheidstaal ontwikkeld. Er bestond nog altijd een grote regionale verscheidenheid in uitspraak van de beschaafde stadstalen. Hilarides haalde als voorbeeld het Nederlandse woord "paard" aan. Voor een Geldersman was dat "paerd", maar voor een Fries "peerd". In de boeken met rechterlijke oordelen uit Leeuwarden zijn nog andere voorbeelden van regionaal Nederlands te vinden, bij voorbeeld uit 1687: "Du biste een dief, du heste ons 90 guldens uijt de kast en huijs ontstolen." en "Du biste een dief, du heste dyn handen recht uijtgestocken en weder krom na dij gehaelt." 'Du', 'dij' en 'dyn' en de daarbij aansluitende werkwoordsvormen met '-ste' ("biste" en "heste") maakten toen nog deel uit van het in Leeuwarden gesproken Nederlands. Hierin werd overigens het voltooid deelwoord wel met het voorvoegsel 'ge' uitgesproken en "huijs" vermoedelijk niet met een [ü]-klank.

            In de achttiende eeuw bestond er wel een algemene norm voor hoe het hoorde in de geschreven taal. In de tweede helft van die eeuw begon deze norm ook steeds meer voor de gesproken taal op te gaan. Sprekers uit de hogere standen in de Friese steden spraken steeds consequenter een spreektaal die op de algemene schrijftaal leek. Deze aanscherping van de norm veranderde de twee gelijkwaardige vormen van Nederlands in een tegenstelling tussen twee verschillende variëteiten: een taal en een dialect. De Leeuwarder Jeltema schreef als eerste in 1768 bewust in het van de algemenere Nederlandse taal afgescheiden dialect het stuk 'Het vermaak der slagterij'. Hij gebruikte daar ook een speci­fieke aanduiding voor: 'de Leeuwarder taal'. Door deze benaming en indeling als specifiek Leeuwarders werd deze taal als (stads)dialect geboren.

            Aan de hand van de woordenschat uit deze eerste geschreven tekst van Jeltema geef ik een vergelijking van het nieuwe dialect met de twee andere talen.

 

Woordenschat 1       Vergelijking van het Leewarders met het Nederlands en het Fries

 

               Nederlands           Leewarders   Fries        

 

                        spelen                        speule                       spylje

                        tegen              teugen                       tsjin

                        zomer            seumer          simmer

                        zondag          sundag          snein

                        kort                kurt                kort

                        moeten          mutte             matte

                        schoorsteen   schustien       schoorstien

                        geen               gien                nin

                        alleen             allienig          allinnich

                        twee               twie                twa

                        zullen            selle               sille

                        zouden          suden             soene

                        wouden         wuden           woene

                        kaarsen          keerzen          kjersen

                        vandaan        fandeen         fendinne

                        vlees              fleis                fleis

                        meester          meister          master

                        bragt              brogte                        brogt

                        pond              pon                 poen

                        vonden          fonnen           foenen                      

                        ver                  feer                 fier

                        af(blijven)      of(blive)         ôf(bliuwe)

                        aangekomenankommen    oankommen

                        gedaan           deen               dien

                        karweitje       karweike       karweike

                        (je) wou         (dou) wuste  (dou) woeste

                        (u/je) weet    (jou) weete    (y/jo) witte 

 

 

Met het prille bestaan van het begrip (stads)dialect was de opdeling in standaard en dialect echter maatschappelijk nog lang niet voltooid. De hoogleraar aan de Franeker universiteit Everwinus Wassenbergh pretenteerde in 1802 met zijn Idioticon Frisicum het specifieke Nederlands van Friesland weer te geven. Er zijn dialectwoorden uit de Friese steden in deze woordenlijst aan te wijzen als 'seun', 'butter', 'sundag', 'guster', 'sulver', 'ien' en 'mienen', maar ook  'búse' en 'súp'. Verder zijn ook <ei>-woorden 'teiken', 'meister' en 'fleis' opgenomen, werkwoordsvormen "Hoe kanje, of kanste, zo sleeuw staan?", "Wie het jimme dat seid?". Wassenbergh noemde nog dat "Het Augment, of Voorzetzel GE (...) nog heden bestendig en algemeen bij de Friezen weggelaaten (wordt), (...)." Of neem de zinnen "Dat loof ik niet", "Dat huis is al acht jaar bouwd weest" en "Zij hebben zo lang praat, dat ik bin der dien nacht noch bleeven". In de gehele negentiende en ook in de twintigste eeuw lijken trouwens Lee­warder dialectwoorden nog door de hoogste standen - onbewust - te worden gebruikt. Toen ging het alleen nog om het vermijden van bepaalde onderdelen, de "onbeschaafdere" woorden, uit het Leewarders. Vóór de twintigste eeuw was het spreken van het stadsdialect op zich zeker niet beperkt tot de arbeidersklasse.

            Pas in het tweede decennium van de twintigste eeuw kwamen in Leeuwarden economische en maatschappelijke ontwikkelingen op gang die hun weerslag vonden in een veel negatievere houding tegen­over het stadsdialect. De hogere en de middenklasse gingen bewust afstand nemen van het dialect op zich, zodat bijna alleen de laagste klasse het nog van huis uit sprak; vanaf de periode tussen de wereldoorlogen kan het Leewarders als een sociolect worden omschreven.

            Vóór de Eerste Wereldoorlog was er weinig verschil met de taalsi­tuatie in de negentiende eeuw. In het Interbellum werd er vrij massaal op het Nederlands overgestapt. Toch bleef het nog steeds moeilijk op grond van woordgebruik een duidelijke grens te trekken, omdat vooraanstaande leden van de Leeuwarder gemeenschap - die het zich maatschappelijk konden veroorloven niet algemeen Nederlands te spreken - nog steeds veel "beschaafde" dialectwoorden in hun spreektaal gebruikten. De indeling van iemands taalgebruik bij het Nederlands of het Leewarders was deels een subjectieve kwestie. Leeuwarders uit de hogere en middenklasse maakten een onderscheid in 'Nederlands', 'beschaafd Stads' en 'plat Leewarders'. Van de toenmalige Commissaris der Koningin baron Van Harinxma thoe Slooten is de anecdote bekend dat hij het Fries spreken in de Provinciale Staten verbood met de woorden: "We hewwe hier altyd Nederlans sproken, en daar gaan we gewoan met deur." Van hem werd gezegd dat hij beschaafd Stads sprak.

            Ook al is een precies onderscheid tussen "beschaafd" en "plat" moeilijk te geven, toch kan in het algemeen wel worden gezegd dat met beschaafd Stads Nederlandser gekleurd Leewarders werd bedoeld. Ook dialectverschillen tussen diverse stads­wijken waren moeilijk aan te wijzen. Aangenomen moet worden dat de geografi­sche verschillen binnen het Leewarders verband hielden met de sociale verschil­len tussen de stadswijken. De middenstand woonde voornamelijk in de binnenstad, de arbeidersklasse voornamelijk in de wijken erbuiten.

            Tegelijk met de afname van het aanzien van het Leewarders, nam dat van het Fries sinds het begin van de twintigste eeuw gestaag toe. Vóór de Eerste Wereldoorlog werd het Fries ("Boerenfries") voornamelijk als een boerendialect beschouwd. In de jaren dertig was in de institutionele sfeer (oprichting Fryske Akademy en gebruik van het Fries in de Provinsjale Biblioteek) voorzichtig iets te merken van de maatschappelijke opwaardering van het Fries in de stad. Maar vooral in de periode na de Tweede Wereldoorlog begon de meest gesproken taal in Fryslân zich in winkels, maar ook op vergaderingen in Leeuwarden te manifesteren. Het geregeld gebruik in formele domeinen als de vergaderzaal van de Provinciale Staten, de gemeenteraad en de media (Omrop Fryslân) maakte het mogelijk over een taal met een zeker aanzien te spreken. Het Leewarders "bezit" als sociolect negatieve associaties als 'plat' en 'ruw', maar ook enkele positieve als 'vertrouwdheid' en 'gezellig'. In tegenstelling met het Fries wordt het niet geschikt geacht voor gebruik in formele domeinen. Het Leewarders wordt vandaag de dag in de lokale media bijna alleen gebruikt voor het benadrukken van de couleur locale.

            Afsluitend kunnen de geschetste maatschappelijke ontwikkelingen gestaafd worden met uitkomsten van representatieve taalenquêtes die gehouden zijn in de tweede helft van de twintigste eeuw. In de jaren tachtig is er sprake van een grote toename van het Nederlands en een grote afname van het Stads in Leeuwarden in vergelijking met de tweede helft van de jaren zestig. Het Fries blijft in deze periode nagenoeg stabiel, vooral door toevoer van nieuwe inwoners van buiten Leeuwarden. Volgens Pietersen werd er in 1967 door 28 procent Nederlands, door 29 procent Fries en door 37 procent Stads (waaronder voornamelijk Leewarders) gesproken. Mijn eigen studie naar het Leewarders uit 1988 leverde voor het Nederlands 49 procent op, voor het Fries 26 procent en voor het Stads 23 procent. De groei- en bloei van de Leewarder stadstaal en later dialect zijn voorbij. De recente grootschalige enquête over de taalverhoudingen in Friesland uit 1994 bevestigt voor het Leewarders de neergang van meest tot minst gesproken taal, die bovendien voornamelijk gebonden is aan de arbeidersklasse. Het Nederlands is in Leeuwarden veruit de grootste en belangrijkste taal geworden, een ontwikkeling die niet zonder gevolgen zou blijven voor de woordenschat van het Leewarders.

 

 

2. Lexicale veranderingen in het Leewarders van de laatste eeuw

 

De maatschappelijke neergang heeft zijn sporen nagelaten in de woordenschat van het Leewarders gedurende de laatste honderd jaar. Bij de behandeling van de veranderingen in de woordenschat ga ik me richten op een aantal woorden die typerend zijn voor het Leewarders. In Woordenschat 1 over het Leewarders van de achttiende eeuw heb ik al een paar klanken en vormen van deze woorden aangegeven die kenmerkend zijn voor het Leeuwarder stadsdialect: [eu] (speule, teugen, seumer) [u] (sundag, kurt, mutte, schustien) [iêe]> (schustien, gien, allienig, twie) [iê] (keerzen, fandeen), [ei] (meister, fleis), het wegvallen van de [d] in pon en fonnen, het ontbreken van het ge-voorvoegsel in het voltooid deelwoord (ankommen), de handhaving van de 'Hollandse' aanspreekvormen dou (wuuste) en jou (weete). Ook de woorden 'selle' en 'suden' (voor respectivelijk zullen en zouden) merk ik als opvallende stadse dialectkenmerken aan.

 

Als we kijken naar de taalkundige toestand van het Leewarders in het laatste kwart van de vorige eeuw zijn wij relatief goed ingelicht, omdat Johan Winkler hierover verscheidene dingen op papier heeft gezet. Een van de bekendste publicaties is wel de vragenlijst die Winkler heeft ingevuld voor de dialectenquête van het Aardrijkskundig Genootschap uit 1879. Deze voor Leeuwarden ingevulde lijst is opgenomen in bundel 'Taalverandering in Nederlandse dialekten' uit 1979. Ook andere teksten uit de periode voor de Eerste Wereldoorlog geven een goede weergave van het stadsdialect in het eerste gedeelte van de te bekijken eeuw. Aan de hand van een selectie hieruit probeer ik een indruk te geven van de belangrijkste veranderingen binnen de Leewarder woordenschat tot aan de huidige tijd, het laatste kwart van de twintigste eeuw.

            Bij het bepalen van de beginsituatie van het negentiende-eeuwse Leewarders worden we al een heel eind op weg geholpen door Winkler. Vooral zijn ingevulde vragenlijst uit 1879 is zeer informatief, omdat hij ook aanvullingen gaf over het maatschappelijke gebruik van bepaalde woorden. Daarmee zei hij ook iets over kleine veranderingen binnen het stadsdialect en over het in het algemeen genoemde verschil tussen beschaafd Stads en plat Leewarders. Over een woord als 'muder' schreef hij dat dit "in zeer ouderwetsche huisgezinnen, in den geringsten stand," werd gebruikt. Ook ouderwets, en daarmee aan het afnemen, waren volgens hem "keuning" (voor "koning"), "hoor" (voor "har" of "nieuwerwetsch (...) sich"), "sundach" (voor "sondach") "mullen" (voor "möällen"), "durp" (voor "dorp"), "wüünsdach" (voor "woensdach"), "skünen" (voor "skoenen"), "eerde" (voor 'aarde'), "kurt" (voor "kort"), "twie" (voor "twee"), "graft" (voor "gracht") en "fleis(k)" (voor "flees").

            Al eerder, in 1867, nam diezelfde Winkler aan dat de vorming van het voltooid deelwoord in het beschaafde Stads aan het veranderen was: "Het voorvoegsel ge van de verleden deelwoorden wordt in het ouderwetsche Leeuwarder dialect nooit uitgesproken; (...) ik hè deen, of daan, (...)." In het moderne of beschaafde Leewarder dialect zal het dus 'gedaan' zijn geweest met vermoedelijk een [g]. Winkler meende ook een neergaande tendens voor het gebruik van 'dou' en 'stou' te constateren.

 

            "Dou was hier vroeger veel meer dan thans in gebruik, en vele ontaarde Friezen beschouwen het als lomp en gemeen, terwijl het toch zoo schoon, zoo vertrouwelijk, zoo "gemütlich" is. Onder de mindere standen hoort men het nog veel, hoewel ook daar minder dan vroeger. Het wordt door den mindere nooit gebruikt als hij zijn meerdere aanspreekt, hoewel men onder den allerlaagsten stand wel hoort dat volwassen kinderen zoo tegen hunne ouders spreken. Het gebruik van dou geeft ook eene groote vertrouwelijkheid te kennen. Zeer intieme vrienden, vooral jonge lieden ook uit de hoogere standen, bezigen het gewoonlijk tegen elkander; verder hoort men het van verliefde jongelui onderling, ook van gehuwden uit alle standen. Ook plegen vele eerwaardige oude mannen het tegen hunne kinderen en kindskinderen en andere jonge lieden te bezigen. Ouders die hunne kleine kinderen liefkoozen gebruiken ook 't woordje dou, en jongelieden uit den lageren stand gebruiken het onderling altijd."

 

In persoonlijke aantekingen van een zekere Waringa uit 1901 is af te leiden dat er ook nog andere woorden met [u]- en [ü]-klanken bestonden: bij voorbeeld "murrens" (morgens), "utten" (erwten), "tutteldúf", "schulk" (schortdoek), "gurtsjebrij" (gortpap), ook "mullen" (molen), "pús" (poes), "slúg" (Fries 'slûch' voor slaperig) en ook "muder". Het zal hier zeker niet om het beschaafdste Leewarders gaan.

            De woordenschatten van de twee volgende teksten vertegenwoordigen het woordgebruik van rond de eeuwwisseling. Rouge-Maison in het Oranje Bierhuis is voor het eerst in losse krantenstukjes in 1909 verschenen, maar handelt over de tweede helft van de voorgaande eeuw. Het boek Weerklanken is in een taal geschreven die gebaseerd is op het taalgebruik van de Leeuwarder wijk de Weerklank aan het begin van deze eeuw. Beide selecties geven een indruk van de stand van zaken vóór het Interbellum, toen de verdere maatschappelijke neergang van het Leewarders zou inzetten.

 

Woordenschat 2 Rouge-Maison in het Oranje Bierhuis tweede helft vorige eeuw

─────────────────────────────────────

seumers, feul, teugenswoordig, deurprate, joaden, koning - sundag, butter, mutte, wudde, sukke, slukje, fut, hur en hor, kofjemullen, dergunsen, gusteravond, stuk - ien, gien en geen en gjin, allienig, blikstiens, gebiente, mienste en gemeen - tuus, sluug, bokkepruuk, koekeltsje - sille en sal, kinne, dinke en denke - eerbei, weerdig, wer, waarbij, dèr - deend en fan daan - docht - gron, fonnen, stonden, lan, hannen - ôfrekene, afsproken en òfset - sofeer 

─────────────────────────────────────

 

Woordenschat 3  Weerklanken begin deze eeuw

─────────────────────────────────────

seun, seumer, feugel, speule, deur, feul, teugen, feur en foor, kooning - sundag, skustien, busten, wuttels, burrel, fut, guster, sukke, slukje hur, korfke, dorp - ien en een, twie en twee, gien en geen, allienig, stien, Leewadden, geheel, deen - salle, kanne - buse, huud, fuust, sukerbôlle, skunen, kroemeltsjes - pea'd, weerig, eerpels, dêr, derre, wer en waar, werom en waarom - dinke en denke, docht, bringe, bracht en brocht - mon, pon, gron, ston, ronuut en rond, konnen, han en haan, standen - ôfgunst en of en afgron - steege - feerder - ook en oek - stadsgracht (zonder 'f')

─────────────────────────────────────

 

Winkler schatte in dat 'sundach', 'skunen' en het voltooid deelwoord zonder het voorvoegsel 'ge' als bij voorbeeld met 'deen(d)' (gedaan) weleens zou kunnen verdwijnen. Vermoedelijk is dit alleen voor het beschaafd Stads van toepassing. Wel komen woorden als 'ko(o)ning', 'korfke' en 'dorp' in de woordenschatten voor. Voor het Leewarders in het algemeen zijn er tot aan het begin van deze eeuw nog geen grote verschuivingen aan te wijzen. Wel is vast te stellen dat er bij verschillende woorden twee vormen gebruikt worden: twie en twee, gien en geen, of en af, dinke en denke, wer en waar, brocht en bracht. Er zit beweging in.

            Als we deze woordenschatten van voor de Eerste Wereldoorlog vergelijken met onder andere de uitkomsten van de enquête voor de Dialect-atlas van Friesland uit 1950 komen er grotere verschillen dan voorheen naar voren.

 

Woordenschat 4  Vergelijking ±1900 met ±1950

 

                        ± 1900            ± 1950               

 

                        feugel                        fogel

                        sunteneklaas                        sinterklaas         

                        stienen                       stenen

                        twie                            twee

                        mon                           mond

                        hon                             hond

                        bringe                                    brenge

                        brocht                        bracht

                        dinke                         denke

                        docht                         dacht

                        aaknippe                   afknippe

                        fear                             fer

                        meister                      meester

                        steig                           steeg

                        fleis                            flees

                        graften                       grachten

                        selle                           salle                  

                        kinne                         kenne/kanne           

                        dear/dèr                   daar     

          

 

Wat de <eu>-vormen betreft heeft Winkler al aangegeven dat in de vorige eeuw 'keuning' aan het verdwijnen was voor 'koning', het woord dat ook in het begin van deze eeuw opduikt (woordenschat 2 en 3). In dezelfde tijd komt 'feugel' nog voor (woordenschat 3), maar verdwijnt later. Ook voor <u>-vormen is eenzelfde vernederlandsende tendens vast te stellen: 'kurt', 'durp', 'mullen', 'kurf' en 'sunteneklaas' verdwijnen uit het Leewarders. In andere Stadsdialecten in Fryslân zullen bepaalde vormen trouwens wel bewaard blijven. Voor zowel de <eu>- as de <u>-woorden geldt dat sommigen ervan na de Tweede Wereldoorlog verdwenen of aan het verdwijnen zijn, maar dat de meeste woorden dan nog aanwezig zijn. Anders lijkt dat met de paar <ie>-woorden, die in de huidige tijd voor het grootste deel weg zijn: 'twie', al door Winkler aangekondigd, en 'ien' sneuvelen in het Interbellum, 'stien' al snel daarna. Bestand tegen het Nederlands zijn de meeste woorden met <ee>. De d-loze varianten lijken net wel weer gevoelig: 'sand', 'land', 'ferstand, 'mond', 'hond', enzovoort nemen hun plaats van de tegenhangers langzamerhand over.

            Het blijft trouwens moeilijk om te zeggen dat bepaalde Leewarder woorden echt helemaal (uit de gesproken taal) verdwenen zijn. In een vrij recente tekst duiken sommige woorden toch weer op. Zie bij voorbeeld een selectie uit de woordenschat van Ut winkeltsje uit 1978.

 

Woordenschat 5  Ut winkeltsje uit 1978

─────────────────────────────────────

speulen, soafeul, teugen, deur, fogeltsjes, mooltsjes, - sundagmiddags, mutte, wudde, hur, suk, skutteltsjes, fut, bust, dusten, sturven, skoasteentsjes, korfkes, morrens, slokjes, skolk - gien en geen, geeneen, hiette en heette, inenen, tweede, allenig, blauwstenene, meende - futen, fuusten, ruug, skutelwasse, muuske, puudsjes, krumels, tuus, kruwagen - peerd, steert, ringbeerd, eerpelskillen, peerse, deen, daar - sal - af - mon, ston, fonnen, konnen, achtergronnen, tannen, linkerhaan, braan, stand - kanne en kenne - brocht, nadenke, docht en bedacht - steeg - ferder

─────────────────────────────────────

 

Maar op 'docht', 'brocht' en de 'mon', 'ston' en soortgelijke vormen in woordenschat 5 na, bevestigen andere woorden als 'fogeltsjes', 'skoasteentsjes', 'korfkes', 'daar', 'sal', 'af', 'nadenke', 'steeg' en 'ferder' dat er lexicale veranderingen hebben plaatsgevonden in het Leewarders van de laatste honderd jaar.

            De afwisseling van twee verschillende vormen als 'geen' en 'gien', 'docht' en 'bedacht' van hetzelfde woord geeft aan dat er nog steeds beweging in het Leewarders zit. Het zal verder gaan met woord voor woord te veranderen. Dit verschijnsel van langzame taalverandering wordt wel met 'lexicale diffusie' aangeduid. We hebben deze diffusie al voor geschreven dialectteksten geconstateerd. Beter zou nog zijn om naar het woordgebruik in echte gesproken tekst te kijken.

            Alhoewel ik in mijn onderzoek naar het Leewarders niet stelselmatig onderzoek gedaan heb naar deze diffusie, maar een indruk van het afwisselen van verschillende vormen van is te geven aan de hand van enkel fragmenten die ik tijdens mijn veldwerk heb genoteerd. Op een kantoor ving ik van een klant het volgende op: "Waar komst der met? Dat zijn allemaal dingen die meespele." en "Dat hebben wij voorschoten. (...) Dat hebben wij voorskoten." Hier worden met/mee en sk/sch afgewisseld.

            Een ander voorbeeld komt van een school voor Individueel Technisch Onderwijs (ITO). Het betreft een dialoogje tusssen iemand van het niet-onderwijzend personeel - overigens uit Sneek afkomstig - (A) en een leerling (B).

A: Wat nou; wilst sleetsjeride?

B: Ja, mutte even un paar wyltsjes onder.

A: Wyltsjes? Waarfoar?

B: Weet ik nyt. Moest maar un bon geve.

            Toen ik (I) ditzelfde personeelslid (A) ondervroeg wisselden verschillende vormen elkaar ook steeds af.

I: Mênsen dy't Frys prate, komme fan ut platteland?

A: Dat werd je froeger dus ook metgeven. Ik weet nyt dat ut je nou anleard is of sò, dat weet ik ok nyt. Dat sal jeself ok wel onderfonnen hewwe. Mar jee. Je mut se kenne. En nou loopt ut fanself.

I: Sels noch un paar woarden Frys praten leard?

A: Oek dat noch.

I: Ferstonnen jou ut in begin oek nyt of......?

A: Nee, nee, want toen docht ik: Laat se maar lulle, weet je wel, want dan begonnen se wel us twee, drie tegelyk over mij. Dan lyt ik se mar lulle, jonge. Ik denk, ik begryp der toch niks fan. Nee, helemaal nyt. Maar daarfoar had 'k un fryndin, dy prate ook Frys, maar teugen mij altyd Leeuwarders, altyd. Ik bedoël mar. Ik wist der wel fan. Ferplicht Frys fyn ik oek helemaal nyt noodsaaklik.

            'Fyn' en 'docht' wijken ook weer af van de woorden die dit personeelslid tegen anderen gebruikt. A: 'k Find ut ook smerich staan, jong. Dy lui hè ook sokke fize tannen inne mond; ut is ferskriklek. (...) Dat dacht ik al, dat je dat sêge súden."

            Op een jeugdclub hebben twee zesjarige jongetjes Jan (J) en Bonne (B) het hoogste woord tegen elkaar. De afwisseling zit hier in de aanspreekvorm en het doorelkaar gebruiken van de 'y' en de 'ij'.

B: "Moest us kike, moet je eens kijken."

J: "Fan dij seker."

(...)

J: Jou nimme steeds deselde kleur as ik: groën!

(...)

B: Jan, kyk! Jan, kijk!

(...)

J: Hest um ferkeard.

 

Deze willekeurige fragmenten van taalgebruik uit de alledaagse praktijk mogen duidelijk maken dat de verandering van de woordenschat een sluipend proces is. Sprekers van een stadsdialect als het Leewarders verliezen misschien woord voor woord kenmerken van hun dialect, maar voordat een taalgemeenschap in zijn geheel een woord verloren heeft, is vermoedelijk alweer honderd jaar voorbij. Hoe moeilijk het is om in te schatten welke woorden zullen verdwijnen, kan ten slotte niet mooier worden geïllustreerd dan met de uitspraak van Winkler over de neergaande tendens van 'dou' en 'stou' van meer dan 130 jaar (zie hierboven). In het laatste fragment uit 1989 worden ze nog gebruikt: '(Dou) Hest um ferkeard' en 'Moest(ou) us kike'.

 

 


 

3. Afsluiting

 

Tot aan de tweede helft van de achttiende eeuw was er in de (niet-Friese) stadstaal voor de spreektaal nog geen echt onderscheid gemaakt in een gestandaardiseerde Nederlandse taal en het Leewarder stadsdialect. Toen pas is een veranderingsproces op gang gebracht dat voor een langzame herverdeling van de <eu>-, <u>-, <ie>- en <ei>-woorden heeft gezorgd. Mede door het dialectgeografisch onderzoek sinds de tweede helft van de vorige eeuw is het mogelijk enig idee te krijgen hoe deze herverdeling van dialectwoorden over het Nederlands en het Leewarders in zijn werk is gegaan. In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw gaat dit proces nog heel langzaam. De grootste maatschappelijke en lexicale veranderingen kwamen in het Interbellum tot stand, toen het Leewarders een sociolect werd.

            Dit samenspel tussen beide soorten veranderingen heeft ook tot nog een andere herverdeling geleid. Kon men ten tijde van het bestaan van de Leeuwarder stadstaal nog zeggen dat bijna iedereen deze taal (in de ene of de andere vorm) sprak, na de opdeling in twee variëteiten zal het relatieve aandeel Nederlandstaligen op de stadsbevolking gestaag toenemen en het relatieve aandeel Leewarderssprekenden omgekeerd evenredig afnemen. Deze gang van zaken probeer ik in een beeld te vangen. Aangenomen is dat sinds de achttiende eeuw door de druk van (de norm van) het Nederlands uit Holland bepaalde woorden niet thuishoren in het Nederlands zoals dat in Leeuwarden werd gesproken en daarom vermeden moesten worden. Steeds meer - woord voor woord - zullen de betreffende woorden uit de hoogste lagen verdwijnen en daarmee drager van een negatief maatschappelijk prestige worden. Deze woorden zullen dan als "plat" gebrandmerkt worden en deste meer worden gemeden. Winkler trof dit verschijnsel aan halverwege de negentiende eeuw en gaf er ook een paar voorbeelden van. Voor de inwoners van Leeuwarden in de jaren twintig en dertig zullen de hierboven behandelde verdwijnende woorden de lading van plat Leewarders hebben gehad.

            De taalgemeenschap van de stad waarin dit proces plaatsvindt is te vergelijken met het water in een cafétière, een Frans koffiezetapparaat, weergegeven in de volgende illustratie.

 

Illustratie 1 De maatschappelijke cafétière                                   

                                   

                      ─────────┬─────────

                               │

                               │

                               │      

                               │

                               │

                               │                    

                               │                   

                               │                   

                               │                   

                               │                   

                               │                   

           │                   │                   │

           │ +    +    +    +  │   +      +      + │

           │    +  +     +     │ +    +     +      │

           │+            +     │  +   +  +   +     │

           │    ++  +       +  │   +          +    │

           │      +  ++  +   + │ +   +   +         │

           │     +     + +    +│    +     +    +   │

           │  +     +      +   │  +  +      +      │

           │ ────  ─────  ─────┴─────  ─────  ──── │

           │    -    -       -   +       +     -   │

           │ -      +     -  +   -    -     -      │

           │    +             +      -    +    +   │

           │   -    +  -  +       +   +      -     │

           │            +      +   -       +     + │

           │   +    -      -         +     +  -    │

           │-      +     -   +  +  -   +    +     +│

           │    -    +           +       -     -   │

           │       -   +      -     -       +      │

           │  -     +     -       +    -        -  │

           │+      -        +     -     +  -  +    │

           │ -  +    +     -   +       +        -  │

           │     -      -       -  +      -        │

           │     +   +     +  -              +  +  │

           │  +          -       -  +    + -       │

           │      - + -    +                 +    -│

           │   +      +     -   +    -    +    -   │

           └───────────────────────────────────────┘            

 

In het begin komt in alle water van de stadsgemeenschap koffiedik voor. Het dik van de dialectwoorden (de minnetjes) wordt door het filter van de maatschappelijke druk langzaam aan naar beneden geduwd. Het filter laat alleen maar het lichtbruin gekleurde water van de "zuivere koffie" door, de beschaafde omgangstaal Nederlands (de plusjes). Door de eeuwen heen is de druk steeds doorgegaan en heeft het filter steeds dieper doorgeduwd. Het gevolg is dat het aandeel Nederlands op de stadsgemeenschap steeds groter is geworden en het aandeel Leewarders steeds kleiner. Wanneer het filter alle minnetjes uit het water zal hebben geduwd is moeilijk te voorspellen. Net als het onverwacht voortbestaan van bepaalde dialectwoorden, zou het Leewarders nog weleens meer dan honderd jaar meekunnen.


 

Literatuer

 

Anonym, Rouge-Maison in het Oranje Bierhuis. Leeuwarden, z.j..

K. Boelens en G. van der Woude, Dialect-atlas van Friesland. Antwerpen, 1955: pp. 157-160.

C. van Bree, 'The development of so-called Town Frisian.' In: P. Bakker and M. Mous (eds), Mixed Languages. Amsterdam,  1994: pp. 69-82.

-----, 'Het probleem van het ontstaan van het 'Stads­fries' in verband met nieuwe talen in contact-theorieën.' In: Handelingen Regionaal Colloquium Neerlandi­cum [=Acta Universitatis Wratislaviensis 1651]. Wroclaw, 1994: pp. 43-65.

-----, 'Hollandse taalinvloed in Friesland'. In: Ph. H. Breuker en A. Janse (red.) Negen eeuwen Friesland - Holland; geschiedenis van een haat-liefdeverhouding. Zutphen,  1997: pp. 120-133.

A. Brouwer, Weerklanken, uut 't leeven in 'n fedwenen buu't in 't stadfries, Leeuwarden, 1975.

H. Burger, Avondrood. Bloemlezing en overzicht der Stads­friese, Amelandse en Bildtse Letteren, Assen, 1944.

P. Duiff, Wurdlisten fan 'e Fryske stedsdialekten, Ljouwert 1998.

K. Fokkema, Het Stadsfries. Een bijdrage tot de geschiedenis en de grammatica van het dialect van Leeuwarden. Assen, 1937.

A. Jeltema, 'Het vermaak der slagterij.' ed. A. Feitsma en R. Bosma, Estrikken XXII, Frysk út de 18de ieu III, Grins 1961, pp. 70-80.

R.J. Jonkman, 'De historische ontwikkeling van de Leeuwarder stadtaal in het licht van de geschiedenis van het Nederlands.' In: A. Hagen, J. Goosens en R. van Hout, Stadsdialecten. themanummer 5 van Taal en Tongval, 1992: pp. 81-95.

------, It Leewarders: in taalsosjologysk ûndersyk nei it Stedsk yn ferhâlding ta it Nederlânsk en it Frysk yn Ljouwert. Ljouwert, 1993.

J. Visser-Bakker, Ut winkeltsje. Liwwadden/Ljouwert, 1978.

E. Wassenbergh, 'Idioticon Frisicum.' In: Taalkundige bijdragen tot den Frieschen tongval,

I stuk, Leeuwarden/Franeker, 1802: pp. 1-134.

J. Winkler, 'De Leeuwarder tongval en het Leeuwarder taal­eigen.' De Taalgids 9 (1867) pp. 210-226 en 293-309.

------, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon. Eerste deel. ’s-Gravenhage 1874.

------, [AG-enquête 1879] In: Gerritsen, M. (Red.), Taalverandering in Nederlandse dialekten. Honderd jaar dialektvra­genlijsten 1879-1979, Muiderberg 1979, pp. 14-17.

------, [AG-enquête 1895] In: Winkel, J. te (Red.), De Noordneder­landsche tongvallen. Atlas van taalkaarten met tekst (1899-1901).


Klankryk Fryslân                           

                                                                                 Henk van der Veer

 

Het Stads van Fryslân is een van oorsprong Hollands dialect

In 1939 deed de toenmalige Commissaris van de Koningin in Friesland, Mr. Pieter Albertus Vincent baron van Harinxma thoe Slooten ( 1870-1954) een memorabele uitspraak. De CvdK zou het spreken in het Fries in de Provinciale Staten verboden hebben met de woorden ‘ we hè hier altyd Nederlaans sproken, su mut ut blive oek!’ Onvervalst Liwwarders! Hoe staat het er met het Stads ruim een halve eeuw na deze uitspraak van de Commissaris voor? En waar komt het Stads vandaan? Heeft het Stads nog toekomst? Reitze J. Jonkman ( 1957) hij promoveerde ooit op het Leewarders, geeft o.a. antwoord op deze vragen in aflevering zes van Klankryk Fryslân.

Reitze Jonkman is van geboorte een Nijskoatter, gemeente Heerenveen. De taal die Reitze als jongen sprak was Frysk en hij moest eigenlijk maar niets van het Feensters hebben. Dat was de taal van stoere Feensters jochies en daar hield een inwoner van Nieuweschoot zich verre van. Pas na zijn studietijd in Groningen, Fries en Nederlands, verdiepte Reitze Jonkman zich als onderzoeker in opleiding bij de Fryske Akademy wetenschappelijk in het Leewarders. Inderdaad Leewarders, “ omdat de meeste inwoners van de Friese hoofdstad de naam van hun dialect zo uitspreken ”, legt Jonkman uit.

Voordat Reitze Jonkman met zijn taalsociologisch onderzoek begon, leerde hij eerst Stads spreken. “ Toen ik Stads begon te praten voelde ik een identiteitsverandering, ik werd van plattelander een stadsjongen. Diezelfde ervaring ervoer ik ook bij mijn onderzoeksgroep, die mij als Leeuwarder indeelden. Ze gingen er vanuit dat ik de plaatselijke omstandigheden kende ”, aldus Jonkman. “ Ik ben dus in mijn onderzoeksperiode van 1987 tot 1993 als het ware van buiten uit de bolwerken van het Stads binnengedrongen”,  zegt Jonkman, die tegenwoordig als leraar Fries en Nederlands aan het Bogerman in Sneek verbonden is.

Stadsfries is voor de meeste mensen in Friesland de samenvattende naam van de stadsdialecten die in de Friese steden en grote plaatsen, Leeuwarden, Sneek, Bolsward, Franeker, Dokkum, Herlingen, Stavoren en tegenwoordig ook in Heerenveen gesproken worden. Toch moeten we de aanduiding Stadsfries  maar met een korreltje zout nemen vinden de meeste taalwetenschappers. Ook  Reitze Jonkman deelt die opvatting en hij legt uit hoe dat nu precies zit: “ Tijdens mijn studie Fries in Groningen was mij wel verteld dat het Stads taalkundig gesproken geen Fries dialect was en daarom ten onrechte wel met Stadsfries wordt aangeduid. Toch volgde ik bij mijn onderzoek in Leeuwarden nog lang de gedachte van Klaas Fokkema, de eerste moderne onderzoeker van het Leeuwarders, voor de oorlog. Fokkema beweerde dat er sprake was van Fries dat zo langzamerhand door de invloed van Nederlands tot een mengtaal was geworden. ‘Dou hest’ lijkt niet op ‘jij hebt’ en zal daarom wel een Fries element zijn in de verder Nederlands aandoende taalvarieteit. Later werd ik  door geschriften van Jan Jelles Hof duidelijk dat in het 16de-eeuwse Hollands, de taal van Amsterdam en omstreken ook dergelijke ‘Friese’  vormen kende. De schellen vielen mij van de ogen; ‘deur’ is toch ook niet een mengvorm van ‘troch’ en ‘door’? De meeste Fries-aandoende vormen konden teruggevonden worden in de taal aan de andere kant van de Zuiderzee. Het gebied waar juist de meeste nieuwe ‘stadjers’  van buiten Friesland vandaan kwamen in het midden van de zestiende eeuw en veel handel werd gedreven. Juist de tijd dat er een verschil in taal kwam in de grotere Friese steden, het(Hollands  en het omliggende land, het Fries.

De puzzelstukjes vielen voor mij op hun plaats. Uit deze ontstaansgeschiedenis is ook te verklaren dat er bijna geen verschillen zitten tussen de stadsdialecten van Leeuwarden, Sneek, Stavoren, Bolsward, Harlingen en Dokkum. Tijdens mijn onderzoek kreeg ik een Aha-erlebnis waarom in de zeventiende eeuw dit Hollands in Friese mond zo eigen was geworden dat het ‘Stad-Fries’ werd genoemd en de taal op het platteland ‘Land-Fries’. Het was een geografische benaming en niet een taalkundige.”

Status

Hoe zat en uiteraard hoe zit het met de status van het Stads? Reitze Jonkman over het aanzien van het stadsdialect in Friesland.

“ Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw was het Stads door de sociale vergelijking ten opzichte van de Hogere Taal veroordeeld tot een dialect ervan en daarmee tot een lagere variant. De maatschappelijke neergang van het stadsdialect is echter zeer langzaam verlopen. Ook het Nederlands van de stedelijke elite,  en trouwens ook die van het platteland, wemelde tot aan de Tweede Wereldoorlog van de Stadse woorden. De echte maatschappelijk genadeklap heeft het stadsdialect pas in de jaren zestig van de vorige eeuw gekregen toen de grote sociale en geografische mobiliteit losbarstte.

Kon er zeker buiten Leeuwarden net na de oorlog buiten de officiële kringen van een vrij algemeen gebruik van het Stads worden gesproken, nu aan het begin van de huidige eeuw is het als moedertaal in alle steden tot een kleine minderheid van hooguit twintig procent teruggedrongen,  zoals cijfers van het taalenquête Taal yn Fryslân van 1994 hebben aangetoond. Voor zover het al niet voor de oorlog de status van een lager sociaal dialect,  een zogenaamd ‘sociolect’,  had,  heeft dat het nu in ieder geval. Juist in de tijd dat de maatschappelijke status en gebruik van het “Land-Fries” ook in de stedelijke kringen ging toenemen. Het gebruik is dan ook bijna helemaal verdwenen uit wat maar even naar officieel zweemt.”

Het is geen structureel gegeven, maar dat de gemeente Sneek voor het tweede achteréénvolgende jaar het voorwoord van het Burgerjaarverslag naast het Nederlands en het Fries ook in ut Snekers heeft, doet Jonkman goed.

Toch blijft het gebruiken van het Stads vooral een zaak van het informele gesprek vindt Reitze Jonkman: “ Het Stads doet vertrouwd en humoristisch aan, dat laatste vooral voor Friessprekers. Anne Feddema heeft ook ruimschoots van deze eigenschappen gebruik gemaakt bij het presenteren van zijn ‘Leewarder’ column op Radio Fryslân destijds. Doede Bleker doet hetzelfde bij het musiceren in het Stavers. Als het voor het schrijven van gedichten wordt ingezet, zoals Karel Gildemacher en Henk van der Veer in het Snekers en Johan van Bergen dat in het Leewarders hebben gedaan, draagt het bij aan het typisch eigene van de stad zoals het in de jeugd van de dichters nog aanwezig was.”

Tot slot, hoe denkt Reitze Jonkman over de toekomst van het Stads?

Jonkman: “ Het Stads heeft voor velen nog altijd de naam een mengelmoesje van Fries en Nederlands te zijn en ook zijn maatschappelijke neergang maakt het er niet gemakkelijker op je hiervoor in te spannen. In tegenstelling tot het Fries, en in mindere mate misschien ook wel voor de streektalen van Het Bildt en de Stellingwerven, is het door zijn stedelijke omgeving waarin de maatschappelijke hiërarchie een sterkere rol speelt, heeft het Stads op de eerste plaats een plaatsing op de sociale ladder tot gevolg en niet een geografische. Als je toch voor een instrument voor een eigen identiteit wilt opkomen, dan is het lang vermaledijde “Boerenfries” een veel makkelijker keus. Een Stadsfries voelt zich  ten slotte ook Fries, behalve dan misschien de Harlinger…”

 

 


It Snekers: in eigenaardige taal

Untwikkeling fan it Stedsk yn Snits

Reitze J. Jonkman

 

“It is apart!”, brocht lesten in Stedskprater mei fertwiveling út om te besykjen syn eigen taal te typearjen. It Frysk en it Nederlânsk hawwe in dúdlike identiteit yn de taalmienskip fan Fryslân krigen, mar it karakter fan stedstalen as bygelyks it Snekers, Stavers en Bolserters bliuwt eigenaardich, net yn it minst foar de sprekkers sels. In oare omskriuwing as “Fleis noch fisk” tsjut ek net op in útsprutsen aard. Ien fan de grutte fragen om de identiteit fêst te stellen is wêr’t it Stedsk weikomt. Hawwe de Snitsers har Frysk yn it ferline sa ferhollânske om har tsjin de Fryskpratende “boeren” fan bûten ôf te setten? It wurdt faak sein. Is in wurd as ‘meiske’ ommers net in mingfoarm fan meisje en famke? Mar ja, hoe sit dat dan mei in wurd as ‘deur’? Dat kin dochs gjin trochinoar mjokseljen fan troch en door wêze?!

It antwurd op datsoarte fan fragen liket dêrom wat yngewikkelder te wêzen: it giet net om ‘Frysk’ en ‘Nederlânsk’ sa’t wy dy beide talen no kenne as mooglik oanleverjende talen foar it hjoeddeiske Snekers. Om dúdlikheid te krijen is it nedich dat wy earst werom geane nei it ûntstean fan in ferskil yn taal tusken stêd en plattelân (16de ieu). Dêrnei komt de histoaryske ûntwikkeling fan it Snekers ta in typysk dialekt foar Snits op it aljemint (18de ieu). It lêste part giet oer it  stadichoan fierder ôfsakjen fan it dialekt op de maatskiplike ljedder, mei alle konsekwinsjes foar syn plak yn de stedsmienskip en it tal sprekkers (20ste ieu). Mar no earst in koarte typearring fan it Stedsk.

 

Typearring fan it Stedsk

 

It Snekers stiet as stedsdialekt net op himsels. It makket mei it Leewarders, Bolserters, Dokkumers, Franekers, Harlingers en Stavers diel út fan in groep stedsdialekten dy’t wol mei ‘Stedsk’ of mei it minder krekte ‘Stedfrysk’ (want it is ommers gjin Frysk yn de stêd) oantsjut wurdt. Yn 1998 is der in wurdlist fan dy Fryske stedsdialekten útkommen. Op in pear ferskillen as bygelyks ‘daar’, ‘oek’ (Leewarders en Harlingers) en ‘dêr’, ‘ok’ (de oare dialekten) nei kin men út dy list ôfliede dat de wurdskat fan de ferskillende dialekten fierhinne deselde is. Dat strykt mei de idee dat de groep dialekten yn deselde tiid en op deselde wize ûntstien is.

 

Foarbylden fan

 

Nederlânsk

Stedsk (Snekers)

Frysk

Door

spelen

geen

zondag

gedaan

zouden

kaas

boter

eieren

meisje

jij

deur

speule

gien

sundach

deen

suden

kees

butter

eiers

meiske

dou

Troch

spylje

gjin

snein

dien

soenen

tsiis

bûter

aaien

famke

do

 


 

Ferskil tusken taal op it plattelân en de stêd: 16de ieu

 

Foar 1500 mei men der fan útgean dat oeral yn Fryslân, útsein yn Starum (dat wie al earder in Hollânsk bolwurk) en de Stellingwerven, Frysk praten wurden is, ek yn de stedsjes. Der bestiet dan noch gjin ferskil tusken de taal fan stêd en plattelân. Inkeld as der sprake is fan wat losse ynkommelingen yn kleasters of yn de hannel sil der Middelnederlânsk dialekt praat wurden wêze. Dat gebrûk fan it Frysk is op te meitsjen út it regelmjittich foarkommen fan it Aldfrysk as skriuwtaal yn offisjele oarkonden. Yn de ieu foar 1500 begjint it skriuwen fan de eigen taal hurd oan te winnen. Nei it ferlern gean fan de Fryske selsstannigens yn 1498 ferdwynt yn de earste trije desennia fan de sechtjinde ieu it Frysk as skriuwtaal út de stedskânselarijen. It plattelân folget net lang dêrnei. It sintrale gesach út Brussel wei beneamt rûnom in soad net-Friezen op bestjoerlik wichtige funksjes. Tagelyk begjint yn dy tiid ek de sosjaal-ekonomyske/kulturele ynfloed fan it gruttere net-Frysktalige gebiet om Fryslân hinne sterker te wurden. Dochs liket der net al in ferskil yn sprektaal tusken stêd en plattelân te wêzen.

Dat ferskil begjint yn it twadde kwart fan de sechtjinde ieu te ûntstean. De histoarikus Oebele Vries, dy’t in soad ûndersyk dien hat nei it oerstappen fan it Frysk op it Nederlânsk as skriuwtaal yn de tiid nei 1500,  fynt út dat de (Frysktalige) ynwenners fan de stêden dan earder op it Nederlânsk oergeane as plattelanners, de adel en kleasterlingen. De hannel en de kontakten mei benammen Hollân sille de stedsbefolking nei alle gedachten earder iepensteld hawwe foar de machtiger taal fan bûten Fryslân. Foar Ljouwert haw ik yn myn proefskrift beredenearre dat dy taalhâlding en de komst fan Hollânske frjemden de sprektaal yn de perioade tusken 1525 en 1550 yn de stêd foar in grut part ûntfrysket. It Hollânsk (yn Fryske mûle) wurdt de belangrykste taal fan de stêd. Yn dy taal komme wurden foar as ‘deur’, ‘sundag’, ‘twie’, ‘gien’ en ‘sellen’; wurden dy’t letter ek optekene wurde sille foar de stedsdialekten yn Fryslân. Dat Hollânsk wykt dúdlik ôf fan it Frysk op it omlizzende plattelân. De taal wurdt sa opfallend en yn frij koarte tiid troch de stedsjers oernommen dat der yn de midden fan de sechtjinde ieu sels troch in Switser skreaun (yn oersetting) wurdt:

 

“Hjoeddeis lykwols skikke de Friezen, benammen yn de stêden, har hast hielendal nei de Brabânske en Hollânske omgongstaal, net allinne fanwegen de hannel mei de Hollânske keaplju, mar ek om’t de keizer, doe’t dy dêr de hearskippij yn hannen krige, yn har heechste hof foar it grutste part Brabanders oansteld hat, dy’t yn har eigen taal rjochtsprekke en alle pleitsaken en oerienkomsten  foar it folk opskriuwe.”                 Conradus Gesnerus 1555

 

Letter oan  de ein fan dy ieu sil de Ljouwerter Suffridus Petrus befêstigje dat it Frysk yn dy snuorje benammen op it plattelân praat wurdt, wylst yn de stêden de “algemiene Nederlânske taal” fan dy tiid brûkt wurdt. Koart sein: yn de rin fan de sechtjinde ieu moat it Frysk syn plak yn de stêden oerjaan oan de taal dy’t ferbûn wurdt mei de taal fan Nederlân, dy’t doe noch sterk Hollânsk kleure is.

De boppesteande omskriuwing sil ek foar Snits as ien fan de Fryske stêden opgean. Yn de boeken dêr’t it stedsbestjoer syn besluten yn opskreau, de saneamde Snitser resesboeken, is ôf te lieden dat om 1500 hinne in soad lju fan bûten en dan benammen fan Hollân (Haarlim, Amsterdam, Inkhuzen, Leien, Hoarn) dêr delstrike. Ek yn Snits bestiet der nei 1500 in ûntfrysking troch de beneaming fan net-Friezen op wichtige posysjes en troch de ynfloed fan de “butter”-hannel. Dy ûntfrysking sil oars net fan de iene op de oare dei heve, want de teksten yn de resesboeken binne yn 1517 noch foar in part yn it Frysk. Oan de ein fan de 16de ieu is it Frysk yn Snits dan wol foar it grutste part troch it Hollânsk fan dy tiid út it stee krongen, mar it is de fraach oft der dat stuit dan al in typyske stedstaal fan Snits mei in eigen identiteit bestiet, nammentlik ‘Snekers’.
Ferskil tusken it Nederlânsk en it stedsdialekt: 18de ieu

 

In dialekt mei in eigen identiteit bestiet net foardat der sprake is fan in dúdlik ûnderskied mei de ‘algemiene Nederlânske taal’. It jaan fan in eigen namme hinget der ek mei gear. Dat ûnderskied wurdt dúdlik as dat dialekt as skriuwtaal brûkt wurdt.. It Frysk (Freesk) is yn de skiednis pas in aparte taal wurden - los fan it algemiene Germaansk - nei’t it foar it earst yn de trettjinde ieu opskreaun waard yn de Fryske wetten. Dêrfoar waard it oantsjutten mei sokssawat as ‘Thiutsk’[=Dútsk, folkstaal] yn ôfwiking mei it Latyn dat as iennichste skriuwtaal brûkt waard. It ôfsetten tsjin Hollân en de oanspraken fan Hollân op Fryslân, tink ûnder oaren oan de slach by Warns yn 1345, sille dêr nei alle gedachten in rol yn spile hawwe.

It stedsdialekt yn Fryslân dêr’t it meast oer bekend is, it ‘Leewarders’, is net earder  ûntstien as wannear’t der in besef komt dat de Hollânske stedstaal fan Ljouwert sterk ôfwykt fan it algemienere Nederlânsk. Dat is feroarsake troch de ûntjouwing fan it Nederlânsk as ienheidstaal (“Algemeen Beschaafd”) yn de rin fan de santjinde ieu. De earste tekst mei de namme ‘Leewarders’ komt út 1768 doe’t  ‘Het vermaak der slagterij’ ferskynde. In opdieling yn algemien Nederlânsk en in spesifyk stedsdialekt is dan yn oare Nederlânske stêden lykas Amsterdam werom te finen.

Op grûn dêrfan mei men oannimme dat it Snekers him yn dyselde snuorje losmakke hat út de algemienere taal.Yn it Nederlânsk fan Snits komme yn de sechtjinde, santjinde en in grut part fan de achttjinde ieu  noch wol losse wurden  as ‘wuiste’, ‘woustu’, ‘wilstu’, ‘heestu’, ‘du biste’,  ‘dij’  en ‘kezen’ (tsizen) foar, mar in part dêrfan sit ek yn it Nederlânsk fan bygelyks de stêden yn Hollân. It wurdt yn dy tiid noch as in soarte fan Nederlânsk sjoen. Yn Snits binne pas yn de njoggentjinde ieu stikken skreaun dy’t mei Snekers oan te tsjutten binne. Eelstje Halbertsma leit yn de Rimen en Teltsjes folslein Stedske sinnen yn de mûlen fan Snitsers. Op grûn fan de algemiene ûntjouwing moat konkludearre wurde dat ek yn Snits yn de tiid om 1800 hinne it stedsdialekt in namme krigen hie as “Snekers” (of  Stedsk), al binne dy oantsjuttingen yn de praktyk net fûn.

 

 

Ferskil tusken Nederlânsk (mei stedske foarmen deryn) en Snekers: 19de ieu

 

Noch in oare, stadige, ûntjouwing is dat de namme Stedsk ek noch foar it hegere Nederlânsk trochgean koe. Ik tink dat benammen minsken fan bûten de stêd net in grut ûnderskied makken tusken it Nederlânsk fan de stedsjers en it stedsdialekt sels, sa’t yllustrearre wurde kin mei it neikommende sitaat út 1821 dêr’t it Stedsk fan de lânhear algemien Nederlânsk is:

 

Boerinne: Ik soe as ik wer by lânhjerre kám, dat hab ik jou om’t hjitten, aek stéds prate, mar ik mat sisse dat ik it net lere kan; ik haf it al tygge prebjerre. Lânhjerre mat it my net kwaelik nimme as ik hette wer boers praat en myn man aek net: want dy dogt it sa raar as hy stéds prate sil dat min jin slap laaitsje mat.

Heer: Wel nu, praat gij maar zooals gij gewoon zijt. Ik kan u heel goed verstaan en neem het u in het geheel niet kwalijk, wanneer gij het mij dan ook niet kwalijk neemt als ik mijn gewone taal spreek.                                         De  boereschrieuwer oer it nys fin de dey. 1821

 

De heechlearaar Everwinus Wassenbergh út Frjentsjer pleitet lykwols noch yn it begjin fan de njoggentjinde ieu foar it Stedsk as in regionale fariëteit (Idioticon Frisicum). Dêrmei is it foar him noch in ûnderdiel fan it Nederlânsk. Yn dat Nederlânsk  komme net allin­ne losse wurden as “butter”, “sundag” en “toon” (tean), mar ek Stedske tiidwurds­foarmen foar: “Wie het jimme dat seid?”. Foar Wassenbergh hoecht de fariëteit dy't dy eleminten yn him hat noch net mei Snekers oantsjut te wurden, mar kin noch skoan foar (ien fan de foarmen fan) Nederlânsk trochgean!

            Wassenbergh is oars net de lêste dy't de Fryske stedstaal en it Hollânske Nederlânsk ûnder deselde namme fan Nederlânsk beflappe woenen. Yn 1840 wurdt der neffens de Ljouwerter histoarikus Eekhoff yn de measte Fryske stêden goed “Neder­duitsch gesproken met een Vrieschen tongval en met behoud van vele woorden, welke echt Nederduitsch, doch bij Hollanders thans verouderd en buiten gebruik zijn.” It tsjut der wol op dat de taal hieltiten eigener foar de Fryske stêden en minder ‘algemien Nederlânsk’ wurdt, mar it op himsels stean as dialekt is noch net folslein ta stân kommen.

            De sosjale brek komt yn Ljouwert dúdliker foar it ljocht yn de twadde helte fan de njoggentjinde ieu doe't dy stêd maatskiplik sa njonkelytsen mei begûn te dwaan oan it modernisearringsproses en yn in frij heech tempo fierder ferstedske. Foar it Stedsk fan Ljouwert hat Winkler, sels in Ljouwerter, in dúdlike omskriuwing jûn.

 

Natuurlijker wijze hebben de lieden uit de hoogere standen eene meer beschaafde en gekuischte uitspraak, en zijn vele woorden en uitdrukkingen die door den minderen man nog dagelijks worden gebezigd, bij hen geheel buiten gebruik geraakt. Velen zelfs doen moeite om zich het Leeuwarder dialect geheel af te wennen en zoo veel mogelijk Hollandsch te spreken; dit gelukt echter in den regel slecht; want, ook wanneer zulke menschen in het openbaar zich laten hooren en zich zelven dan diets maken, dat zij zuiver Hollandsch spreken, herkent men den Fries terstond aan de uitspraak van vele letters en klanken. (...) Dagelijks verkrij­gen Hollandsche woorden en uitspraak meer en meer het burgerrecht, en het is te voorzien dat over honderd jaren ’t Leeuwarder dialect geheel zal zijn vervallen.       

                                                                                             Johan Winkler 1867

 

De sketste Ljouwer­ter taalsituaasje slút oan by de algemiene Nederlânske situaasje: yn it Westen wie de algemiene sprektaal foar de beskaafde stân de sosjaal heechste fariëteit en yn de oare provinsjes prate de beskaafde stân in regionale beskaafde taal mei net al tefolle provinsjalismen. Yn alle Nederlânske stêden is it suvere stedsdialekt strjittetaal. Negative omskriuwingen as “het echte Leeuwarder patois” stekke de kop op foar it dialekt. In selde soarte fan ûnder­skied wurdt yn in ynstjoerd stik fan 1873 oer rept; dêryn gong it om in suvere, net-dialektyske útspraak fan it Nederlânsk; “het Friesche stedelijk dialect” - dat walchlik is en útroege wurde moat - is oars as “de Friesche taal” - dat in op himselssteande taal is dy't net ferdwynt. Dúdlik mei wêze dat it Stedsk yn de 19de ieu in sosjale delgong ynset hat. It is de fraach hoe sterk dat yn Snits te fernimmen is yn de 20ste ieu.

 

Sosjaal ferskil  Nederlânsk-Snekers wurdt grutter: 20ste ieu

 

Snekers oan it wurd

 

De dúdlikste oanstjutting fan in sosjaal ferskil tusken de beide fariëteiten yn de Fryske stêden komt fan de bekende dialektkenner Jan Jelles Hof. Hy skriuwt yn 1933: “Het ‘stedsk’ is uit de mode, als model voor de ‘Sneinstaal’, met de algemeene ontwikkeling is thans wel zoo ver dat men het onderkent voor wat het is: een taalmengelmoes, dat cultureel lager staat dan het lang zoo verachte ‘boerenfriesch’.” Dit is in algemiene beskriuwing fan ien fan bûten út, fan in Fryskprater. Wy kinne de resinte skiednis, fan it begjin fan de foarige ieu, lykwols ek troch “ear-tsjûgen” fertelle litte dy’t der yn Snits sels by west ha.

Bygelyks troch Jan Kroon, opbrocht yn it Snekers, is yn 1920 berne yn de binnenstêd. Hy prate mei al syn boartersmaten fan de roomske ‘bewaarskoal’ oan de Ouwe Koemerk Snekers. Yn de klasse by de susters wie it safolle mooglik Nederlânsk. “Op dy skoalen probearden se it meest om Hollaans te praten. ... Dêr kwammen je ferder met, no. It Snekers komst nyt fer met. Ut near wurde der op leid.” Master sprutsen jo yn it Nederlânsk oan, net “in dat boereplatje (Kroan syn oantsjutting fan it Stedsk!), natuerlik. De achting foar ut Frys en ut Snekers was nyt groat.”  Dat spilet om de tweintiger en it begjin fan de tritiger jierren. Oan de ein fan Kroon syn HBS-tiid begjint der foar it Frysk in oare wyn te waaien. “Dat wie yn de klasse Hollâns fansels. Undermekoar wie dat Stedfrysk of gewoan Frysk. Dat rûn trochmekoar hinne. Dêr wienen wy maklik yn. It Frysk hie wol in stempel fan no .... in boeredialektje, by de Hollanners dan, by de Snitsers net.  It Snekers wie gewoan.” Yn 1938  wurdt bygelyks de Fryske Akademy oprjochte.

Yn de gemeenteried wurdt dan noch gjin Frysk praat mar wol (in soarte fan) Stedsk. “Ja, want de meesten dy in de gemeenteraad saten konden nyt Hollaans; ut waren allemaal Snekers, dus .... Dat was ok nyt su merakels best, docht ik.” Dat soarte fan Stedsk koe noch foar Nederlânsk trochgean. Yn dy tiid praat de kommissaris fan de keninginne Van Harinxma thoe Slooten dat soarte fan Stedsk Nederlânsk. Hy soe yn dyselde tiid it Frysk praten yn de Provinsjale Steaten ferbean ha mei de wurden: “We hè hier altiten Nederlaans sproken, daar gane we gewoan met deur.”

Kroon jout oan dat it echte suvere Nederlânsk maatskiplik hiel fier ôf stie fan it echte Snekers. “As je echt Hollaans praten, dan was ut: Wat praat dy man deftech. Se dachten, de Frizen self, dat ut Snekers minderwaardig was.” Ek de fertsjintwurdiger fan de oerheid yn de gemeenteried krijt de status dy’t by it algemiene Nederlânsk hearde. “De Hoop was burgemeester en dy prate Hollaans dy komt nyt fan syn troon na beneden.”

Nei de oarloch giet it ôfsakjen op de maatskiplike ljedder stadichoan fierder, mar dat wie net foar elkenien en alle situaasjes itselde. Stikje by bytsje komme mear minsken fan bûten Fryslân hjir hinne. Folkert  van der Harst, dy’t op de Bonifatiusskoalle lesjoech mei nonnen út Hollân: “Dy wuden hè dat der Nederlaans sproken werd.” De middenstân begjint op it Nederlânsk oer te stappen. Der komt “import”, Yndyske bern. Op kantoar wurdt it Stedsk hieltyd mear oanlinge mei Nederlânsk. De âldere elite lit lykwols foar it thúsgebrûk it Stedsk noch net los.

Karel Gildemacher - berne krekt nei de oarloch en opgroeid yn de Noarderhoeke – syn heit wie túnman en hy kaam mei syn heit by dy elite oer de flier. “Wy kamen by de upper-ten fan Snits thús. Ek by boargemaster Rasterhof dêr’t ús heit altyd hiel noflik en hiel normaal Snitsers mei prate en ek minsken as Kwant, fan dy masinefabryk, dy sieten gewoan Snitsers te praten, en De Vries, de eigeners fan Tonnema-King ek, en ek de Van der Sluisen , de eigeners fan Lankhorst ek. Menear Wouda net, mar dat kaam miskien wol om dat dy mei in echt Hollânske frou troud wie. Ik haw dus noait oanfield dat dat Snitsers sosjaal minder wie.”

Yn 1950 is út it ûndersyk fan Boelens –Van der Woude ûnder de legere skoallebern fan 1950 bekend dat noch sa’n 90 persint Snekers prate. Ek yn it fermidden fan de middelskoallen koe it Snekers it Frysk noch lang tsjinhâlde. Gildemacher oer de ferhâldingen begjin sechtiger jierren: “Wy sieten as twa iennichste Snitserspraters op de mulo yn in klasse mei allegear boerebern, dy learden wy yn twa wike tiid Snitsers. It wie it hûtêne fan de stêd tsjinoer it plattelân. Dêr gongen se yn mei. Soms skoden se troch nei it Hollânsk. It Snitsers hie wol deeglik in soad taalmacht.”

Henk van der Veer, hast tsien jier jonger en ek út de Noarderhoeke, kin dat foar de ein fan de sechtiger jierren meistimme: “Mar dat bewustwezen fan ut Snekers, dat hadden we allemaal al fan jongsaf aan. Wij praten eigenleks noait Hollaans. Op de een of andere manier paste dat nyt bij oans. Dat het met identiteit, groepsforming te maken. Ferskriklek arrogant dat de kynders fan buten dy bij oans op de ulo kwamen in Sneek, dan seiden wij: ‘Jim mutte fetsoenlek prate!’ Binnen in week praten dy kynders op hun manier dan ok Snekers. Dat is nou gebeurt.” Dat ôfsetten tsjin it Frysk dienen se neffens Van der Veer troch it te begekjen: “Wat praatstou nuver? Der waar niks moeilekers foar un learaar Frys om Snekers Frys te learen. Freeslek. Dat naaide derút, dêr moesten we helemaal niks fan hè. Hou nou gau op; dat was un drama. Ik wurde der pas op wiisd op de PA.  Dy waren foar ut Frys, maar nyt teugen ut Snekers. Dat waar ut taalgefoël. Dat bin ik nyt alleen, dat binne un hele soad fan myn generasygenoaten.”  Ek Guus Stockmann, in pear desennia skoaljuffrou oan de Bonifatiusskoalle oan de Ljouwerterwei  (berne yn 1912), praat der ek sa oer: “Fryspraters kregen geen kaans. De meesten praten  Snekers en dat ferstonnen se wel en praten dat wel met.”

Yn de fjirtiger en fyftiger jierren hat it Stedsk dus noch genôch by te setten om it Frysk tsjin te hâlden, mar der is feroaring op komst. Karel Gildemacher dêroer: “Dy’t yn de 30’er jierren berne binne, krigen al wat mear oplieding; dat hat de ûntwikkeling yn gong set. Nei de oarloch hat dat him wat stabilisearre. Yn de sechtiger jierren kaam de (ekonomyske) bloei en dêrmei it ferdwinen fan it Snitsers.” Yn de twadde helte fan de sechtiger jierren foarmje de gruttere trek fan minsken fan bûten Fryslân, útwikseling tusken stêd en plattelân, de opkomst fan de Nederlânsktalige televyzje en de sosjale mobiliteit mei-inoar in belangryk brekpunt. De gefolgen binne in sosjaal ôfsakjend Snekers, in grutter oanpart fan Nederlânskpratende minsken yn de stêd en de opkomst fan it Frysk yn Fryslân.  Folkert van der Harst wit noch in pear eksponinten dêrfan te neamen: “Ut Frys kwam met Singelsma, toen kwam ut Fryse bewustsijn. Toen kreeg je les in ut Frys in de sestiger jaren. Je kregen dy infloed fan Hollanners. Dy gingen over in ut Frys, nyt in ut Snekers. Ut was gewoan status om dan in ut Frys te praten. Snekers was ut toch nyt, was dat toch un bitsje ordinêr. Dan gingen se op Frys toneel. Ja., toen dy lui hier allemaal kwamen, gingen se allemaal Frys praten.”

Henk van der Veer: “Feraanderinging in de taalferhoudingen, dat is seker. Wêrom praat Doevedaans, un jonge fan un echte Sneker family,  in de raad Frys? Hoe bestaat er. Dêr wiis ik him op. Der is hier in de stad ok un geweldige Frise Beweging weest. Mannen as Siemen Cnossen, dy praten Frysk yn de rie, en dêrtroch Henk Doevedans ek mar yn ’t Frysk.”

Henk van der Veer hie ek sels nei 1970 syn Fryske perioade op de Pedagogyske Akademy: “Ik sette my aktyf in foar ut Frys. Ik fyn ut Frys un prachtige taal. Myn earste bundel waar ok un Frystalige bundel. Ast in Sneek bist, helpe se dy altyd in ut Frys. Myn maten prate, probearen ok allemaal teugen myn frou in ut Frys, dy frystalig is, allemaal Frys.”

 

Nêst dizze ferhalen oer it ûntstiene sosjale ferskil yn de 20ste ieu tusken it Stedsk oan de iene kant en it  Nederlânsk en it  Frysk oan de oare kant, besteane der ek sifers fan taalsosjologyske ûndersiken fan de Fryske Akademy út 1980 en 1993 oer it talsmjittige plak fan it Snekers.

 

persintaazje memmetaal

1980 (n=47)

1994 (n=76)

Stedsk (+ oar dialekt)

23

16

Nederlânsk

41

46

Frysk

36

38

 

De konklúzje kin net oars wêze dat it Stedsk ek yn tal achterút gien is. Ut oare útkomsten oer de oplieding komt nei foaren dat de Nederlânsktaligen trochinoar de heechste oplieding ha, de Frysktaligen de middelste en de Stedskpraters de leechste.

 


 

De konsekwinsjes foar it tsjintwurdige plak fan it Snekers

 

Nei it sketsen fan de histoaryske delgong, sawol sosjaal as yn tal, binne wy oankommen by it brûken fan it Snekers op dit stuit. It kin troch syn lege sosjale lading net samar oeral brûkt wurde, sels net troch Snitsers ûnderinoar. Karel Gildemacher seit it sa: “In yllustraasje yn de anekdoatyske sfear: Ate de Jong hat ynterviews holden mei skippers fan de Sulverfloat, dy praten allegear Snitsers en dat is ek yn it Snitsers yn it boek ‘Wij woane op ut water’ beskreaun. Dat boek is oanbean oan boargemaster Van Haersma Buma, úteinlik ek in Sneker jonge. Hy sei fan te foaren tsjin my: ‘Sil ik no ris in kear Snekers prate?; dat is de muoite wurdich.’ Dat is net op priis steld: ‘Dinkt dy man dat wy so dom binne dat wy gyn Hollaans ferstaan kinne?’ Dat binne fan dy brekpunten, dat it Stedfrysk yn it kuriosum telâne komt.” Net allinne it sosjale plak, mar ek it kwantitative oanpart op de stedsbefolking hat in negativwe ynfloed op it gebrûk. Jan Kroon dêroer: “Ut Snekers is haast útsturven; it wurdt net mear praat. We he hier ok un hele instroom had fan Friezen. Foar de oarloch montsjesmaat. De oarloch is wel un breekpunt. Op de Omroep het ut Snekers inleverd ten opsichte fan ut Frys. In de gemeenteraad wurdt ut Snekers nyt mear brúkt.  We binne de laatste indianen fan Nederland. We sitte in ut reservaat; nou wachten we op de doadklap.Der is gjin minske mear dy’t Snitsers praat.”

De hjoeddeiske posysje hat dus laat ta bepaalde eigenskippen dy’t it Snekers gaadlik meitsje foar in spesifyk gebrûk. Frou Stockmann tsjut as belangrykste eigenskip oan: “Fyn ’t júst so leuk! Su gemoedelik”. Karel Gildemacher syn omskriuwing leit yn it ferlinge dêrfan: “Ik ha ek wolris wat gedichtjes yn it Snitsers makke; in bytsje populêr. Dêr binne in hiele protte fan ferkocht; dat fûnen de minsken prachtich. Ik ha ek wol in serieuze bondel makke; dêr steane noch bulten fan. De gedichten fan Henk van der Veer binne anekdoatysk, sentiminteel, nostalgysk. De minsken binne der slij nei. Dêr past it Snitsers no by. It binne eigenskippen dy’t de streekroman yn it Nederlânsk ek hat, as der sa’n los dialektysk wurd yn stiet. Yn lokale sfear en it is net serieus, it sit yn de ferdivedaasjerjochting, wat grappich. Yn positive sin is it grappich, yn negative sin is it asosjaal.” 

In oare eigenskip dy’t by it noflike , ‘gemoedeleke’ oanslút is dat it eigen en emosjoneel is. Henk van der Veer: “At ik kwaad wurd, gaan ik altyd wear over in dy emosjonele taal, in dat Snekers; ut sit der in bebakt. Ik wurde der nyt earder bewust fan as toen myn ouwelui overleden waren. Toen was myn bining met Sneek letterlik fut. En toen pas bin ik begonnen met ut skriven fan fersen in ut Snekers. Toen wilde ik woanen in myn taal. Dat ik toch noch un hús hew en dat is dat Snekers. Ik bliif un Sneker.”

Dêrmei komme wy  by einsluten tink ik by de belangrykste eigenskip fan tsjintwurdich: it giet om de Sneker identiteit dy’t sterke nostalgyske trekken hat: “Doën mar gewoan. Dat is gewoan trots.” Van der Veer, sels skriuwer fan ‘Op ut Plús’ (rubryk yn it Snekers yn Sneker Nieuwsblad, offisjeel orgaan fan de gemeente) ferbynt de populariteit krekt oan dy eigenskip fan it Snekers ta: “De gemeenteraad fynt dy stukjes in ‘Op ut plús’ machtech. De Rabobank Sneek en omstreken was de earste dy sei: En kyk, su wille we oans profileare as bank út Sneek. Dy gaven oans opdracht un bundel met Sneker fersen te skriven spesjaal foar de nieuwbou. De bovenlaag het der aardighyd an, mar ut is mear as in aardigheid. Der binne 4500 kalenders as personielspresent bij ut bedryfsleven furtgaan. Inspelen op de nostalgy. Fan myn dichtbundel Kajapoetoaly binne der in de hannel 2000 fan ferkocht.”

 

Beslút

 

De ûntfrysking fan Snits yn de 16de ieu smiet in Hollânsk kleure Nederlânsk as stedstaal op. Dy stedstaal foarme mei wurden as ‘deur’ en ‘meiske’ de basis foar it Stedsk. Dat Stedsk waard earst echt Snekers neidat yn de 18de en 19de ieu it Algemien Nederlânsk him begûn te ûntjaan. Troch de sterkere profilearring fan de Nederlânske ienheidstaal krige it Snekers fan de weromstuit ek in eigen identiteit. Koe de sosjale status fan it Stedsk yn de 19de ieu noch lykop rinne mei dy fan it Nederlânsk, yn de 20ste ieu glied it nei in sterk negatyf beladen stedsdialekt ôf. It relative oanpart fan Stedskpraters rint ek fan de oergrutte mearderheid tebek nei in lytse minderheid. Tagelyk is it dêrmei in eksklusive drager wurden fan de echte Sneker identiteit. Dêrom kin men troch sawol syn histoaryske ûntjouwing as syn tsjintwurdige posysje by it Snekers mei rjocht prate fan in “eigenaardige” taal.

Kostenlose Homepage von Beepworld
 
Verantwortlich für den Inhalt dieser Seite ist ausschließlich der
Autor dieser Homepage, kontaktierbar über dieses Formular!